Aïda aan Zee

Aïda aan Zee

Aida: Martina Prins. Foto: Anne Reitsma.

Aïda aan Zee, een bewerking door arrangeur Marijn van Prooijen en regisseur David Prins van Giuseppe Verdi’s  Aida uit 1871. Bijgewoonde voorstelling in het kader van het Festival Classique, Zuiderstrand Scheveningen, 13 juni 2019.

 

Aida: Martina Prins
Amneris: Lien Haegeman
Radamès: Marcel Reijans
Amonasro: Frank Dolphin Wong
Il Re: Jaap Sletterink
Ramfis: Koos Sekrève

Dirigent: Rick Schoonbeek
Orkest: ad-hoc ensemble, Theaterfanfare Kunst voor het Volk
Projectkoor Aida, Theaterkoor Dario Fo
Regie: David Prins

Muziek:
Regie:

Wat is opera, waarover gaat opera? Als u mij dat vraagt begint mijn antwoord steevast met: “de grootste kunstvorm aller tijden.” Ik zal vervolgens uitleggen dat, als u een opera gaat bijwonen en u geluk hebt, u mooie muziek gaat horen, met goede zangers die een verhaal vertellen, acteren en door verhaalondersteunend(!) theater kracht wordt bijgezet om een totaalkunstwerk te creëren. Waar ging Aïda aan Zee over en is die voorstelling, gegeven dat kader gelukt?

Het antwoord is: ten dele. Deze Aïda afficheert zich als spectaculaire strandopera. De voorstelling is in Scheveningen, het toneel letterlijk het strand, met enkele verhogingen (bijna dijken, als u wilt) om het decor diepte te geven. In het midden zien we, op enige afstand een tent-podium met daar een elfkoppig versterkt orkest. We zitten in de open lucht, dus ook de zangers en het koor zijn (deels) versterkt. De voorstelling duurt een uur en twintig minuten. Dat betekent dat de schaar in het libretto is gezet om dit project mogelijk te maken. Ik was een beetje bevreesd dat dit ernstig ten koste van (de logica in) het verhaal zou gaan. Maar hoewel op het einde een behoorlijke verdichting plaatsvindt, heeft men de keuzes hier wat mij betreft smaakvol gedaan en blijft het een Aïda die het verhaal van librettist Antonio Ghislanzoni vertelt.

Dat geldt ook voor het muzikale arrangement van Marijn van Prooijen, waarover ik – zeker als ik het beoordeel vanuit het perspectief dat de beperking vaststond en er maximaal dit elfkoppig ensemble mogelijk was – louter positief kan zijn. Het is geen geringe prestatie om deze partituur, die vaak fors is en een maestro van goeden huize vergt,  voor dit kleine ensemble (een strijker van elk soort maar!) te transcriberen. Dit arrangement deed de muziek recht, klonk nog steeds als Verdi en niet als een Verdi ontdaan van diens mannelijkheid. Er werd uitstekend gemusiceerd onder leiding van Rick Schoonbeek. De piano werd slim gebruikt op plekken waar de andere instrumentalisten al bezig, “bezet”, waren en toch nog wat body vereist was. Het was een natuurlijk arrangement, nergens echt te dun.

Ook een compliment voor het uitversterken van dit bescheiden orkest en het koor. Met mijn achtergrond als amateur-geluidstechnicus zeg ik: uitstekend gedaan. Er was bijna voortdurend een perfecte balans en ik denk dat het vergelijkbaar zou hebben geklonken in een dichte zaal, zonder techniek.

 

Uitstekende zangers

De zangersbezetting beviel mij goeddeels prima. Martina Prins vertolkte de titelrol met zoveel verve dat ze met recht een van de belangrijkste redenen mag worden genoemd om u naar het strand te spoeden. Ze maakte haar rol geloofwaardig, in muziek, in expressie, met een power die de zeewind ook zonder technische hulpmiddelen had kunnen bedwingen. Ik wil ook nadrukkelijk de vertolker van de rol van Amonasro noemen, Frank Dolphin Wong. Een rol met – zeker in deze bewerking, maar daar werd qua regie in de vorm van stil spel in elk geval wel duidelijkheid verschaft aan het publiek – niet zoveel woorden, maar ik vond hem de beste mannelijke zanger op het podium. Frank Dolphin Wong beschikt over een prachtig timbre, dynamiek en vooral een heel  goede dictie. Die dictie, verstaanbaarheid, ontbrak een beetje bij de koning van Jaap Sletterink, die enigszins ongeloofwaardig overkwam. Het hielp hem en zijn geloofwaardigheid beslist niet dat hij zo vreemd was uitgedost. De koning was nogal een karikatuur door hem in een lange jas versierd met allerhande medailles (denk The Dictator) met daaronder, en daaronder ook duidelijk zichtbaar, een korte broek en “komische” sokken te steken. Hij acteerde de lichaamshouding (door zijn outfit versterkt) van een tokkie en dat gaf een vreemd beeld dat niet bij zijn rol past.  Marcel Reijans was een adequate maar niet echt sprankelende Radames.

Qua kostumering is me sowieso ook niet zo duidelijk wat in deze voorstelling nu de gedachte is geweest. Radames begint de voorstelling met “Celeste Aida” – een goed begin – in een Adidas-trainingspak. Dat kan natuurlijk allemaal, als het verhaal heel blijft, mag van mij heel veel, maar als Radames verderop legerlaarzen en een leren jas met brede riem aankrijgt, waarom dan dit begin? Het wringt met het verhaal. Het koor bestaat voor een deel uit een leger uitgedost in zwart, met hoofddeksels die aan de beeltenis van Nefertiti doen denken; een ander deel bestaat uit tamelijk anachronistisch aandoende burgers uitgedost in truien. De kledij van de vrouwelijke rollen Amneris (een overmaat aan tijgerprint) en Aïda (iets dat haar redelijk neutraal doet afsteken bij de burgers) vond ik niet mooi, maar stoort ook niet. Wel storend is dat alle afzonderlijke elementen in deze mengelmoes de basis kunnen vormen voor een veelheid aan regie-insteken, maar er lijkt geen keuze te zijn gemaakt. Het is een ratjetoe.

Als voorstelling die voor veel mensen misschien de eerste opera is die ze bezoeken, kan ik me goed voorstellen dat het ontbreken van boventiteling het volgen van het verhaal bemoeilijkt. Jammer. Ik ben wel blij dat men gekozen heeft een intact verhaal te laten zien, maar ik heb niet het gevoel dat de regie, nu er geen boventiteling was, haar potentieel als ondersteuner van het verhaal ten volle benut heeft. Deze regie wil gelukkig niet meer zeggen dan waar het libretto aanleiding toe geeft, maar laat enigszins na het verhaal echt te helpen. De beelden zijn niet onesthetisch, de setting van het strand, ondergaande zon, helpt. Maar het is een beetje lege esthetiek: we zijn omringd door zand, een opera die in Egypte speelt, maar geen enkel gevoel van een woestijnlandschap wordt gewekt – het lag praktisch voor het oprapen!

 

 Urban soundtracks

Het verhaal wordt tweemaal onderbroken door een intermezzo van dansers op muziek die niet door Verdi geschreven is en in het programmaboekje wordt aangeduid als “urban soundtracks”, elektronische muziek met opzwepende ritmes waar een groep in het wit geklede dansers in acrobatische stijl op danste. Indrukwekkend op zich, maar wat mij betreft volstrekt onnodig, de manier om dit in het verhaal te wortelen voelde gekunsteld aan en ten opzichte van de operamuziek stond het volume ook nogal hard. Ik kan niet anders zeggen dan tweemaal een bevreemdende, onzachtzinnige onderbreking en verspilling van kostbare minuten waarin Verdi meer aan bod had kunnen komen. Niemand had er iets aan gemist, als de urban soundtracks achterwege zouden zijn gelaten. Zonde.

Het laatste tafereel: Radamès opgesloten in de kerker, rouwend omdat hij zijn Aïda nooit meer zal zien, wordt hier uitgebeeld door een lang touw waaraan hij vastzit met een ketting. Hier lukt het de regie best, met weinig massieve decors toch een helder beeld te laten zien. Daar worden twee vreemde dingen gedaan: Ten eerste maakt Aïda zichzelf vast aan het touw, terwijl ze zich volgens het verhaal verstopt heeft om met Radamès te sterven. Het gekozen beeld laat te veel in het midden of ze hier nu zelf voor kiest of tussendoor ook is opgesloten door de Egyptenaren. Ten tweede is ze toch echt gekomen om met Radamès te sterven en ze doet dat met meer dan vijf meter afstand tussen hen in. Dat moet in zijn armen! (Noem me een zeurpiet, maar dat is voor mij net zo belangrijk als voor sommige anderen die vinden dat in Salome hoofden van rompen moeten worden gescheiden.)

Het koor, voor de gelegenheid geformeerd samen met het Dario Fo theaterkoor, bestaat uit meer dan driehonderd zangers, overtuigde. In positieve zin vielen de priesters op, met name in “Gloria all’Egiotto”.

Tijdens de overbekende triomfmars wordt de blazerssectie van het orkest vergezeld van de theaterfanfare Kunst voor het Volk. Zij vormden helaas een ongelijk spelend rommeltje met hoorbare ritmische fouten als de fanfare alleen speelde, en op momenten dat er samen met het orkest en het koor gemusiceerd werd, ontstond er een lawaaiig, om niet te zeggen kakofonisch geheel. Het fanfarekorps had gewoon wat langer moeten repeteren en ik had ook graag na het applaus nog even van de finale scene tussen Radames en Aïda willen nagenieten, zonder die mars als uitsmijter voorgeschoteld te krijgen.

Conclusie: een mooi initiatief dat goeddeels slaagt in zijn opzet.

Er zijn nog voorstellingen op 14 en 15 juni 2019.

 

Bas de Kwant (gepubliceerd op 14 juni 2019)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.