“Wann geht die nächste Gans?”

Königskinder

Königskinder. Foto: Bettina Stöss.

Königskinder is een werk van Engelbert Humperdinck waarvan twee versies bestaan: één als melodrama en één als sprookjesopera. Het libretto werd geschreven door Ernst Rosmer (pseudoniem van Elsa Bernstein-Porges), ontleend aan haar gelijknamige toneelstuk. De opera Königskinder werd voor het eerst uitgevoerd in de Metropolitan Opera in New York op 28 december 1910, onder leiding van Alfred Hertz, met Geraldine Farrar (hier te zien in een stomme film) als ganzenmeisje. Bijgewoonde voorstelling te Gelsenkirchen, Musiktheater im Revier, 29 november 2018.

Der Königssohn: Martin Homrich
Die Gänsemagd: Bele Kumberger
Der Spielmann, Ratsälterster, Torwächter: Petro Ostapenko
Die Hexe, die Wirtstochter: Almuth Herbst
Der Holzhacker: Urban Malmberg
Der Besenbinder: Tobias Glagau
Der Wirt: John Lim
Sein Töchterchen: Solistin des Opernkinderchores der Chorakademie Dortmund
Der Wirt: John Lim

Muzikale leiding: Rasmus Baumann
Orkest: Neue Philharmonie Westfalen
Regie: Tobias Ribitzki

Muzikaal:
Scenisch:

De eerste keer dat ik de naam Engelbert Humperdinck hoorde, was in 1967. Ik was voor de tweede keer van school gestuurd en werkte mij op mijn zolderkamer door een wagonlading strafwerk heen, luisterend naar de piratenzender Radio London (Wonderful Radio London). Ene Engelbert Humperdinck, blijkbaar gevangen in een verstikkende relatie, stond in de hitparade met het nummer Please, release me, waarvan de lyrics mij larmoyant voorkwamen. Hoezo, “please” ? Wat belette hem om zijn tandenborstel te pakken en de deur achter zich dicht te trekken? Slapjanus.

Enkele jaren later steeg deze zelfde slapjanus op spectaculaire wijze in mijn achting: tot mijn verrassing kon hij ook opera’s componeren! Maar dat bleek -een lichte teleurstelling- toch een andere Humperdinck te zijn.  Namelijk de op 1 september 1854 geboren Duitse componist, dirigent, muziekcriticus en muziekpedagoog die medewerker was van Richard Wagner en bij wie onder meer Jan van Gilse, Siegfried Wagner, Robert Stolz en Kurt Weill hun opleiding hadden gevolgd. Maar toch vooral de componist van de succesvolle opera Hänsel und Gretel, die hem een klein fortuin opbracht.

Humperdinck schreef nog zes andere opera’s. In 1894 werd hem gevraagd om de muziek te verzorgen bij het toneelstuk Königskinder, het “Märchendrama” van Elsa Bernstein. In 1895 herschreef hij de partituur tot een melodrama, waarin hij het zogenaamde “Sprechgesang” introduceerde, een muzikale vorm die mij niet zelden naar een dubbele whisky doet verlangen en die we later o.m. bij Schönberg terugvinden. Het duurde tot 1910 voordat Humperdinck zijn Königskinder tot een volwaardige opera maakte. De première vond plaats in de MET (1910). Even leek het erop dat het succes van Hänsel und Gretel herhaald zou worden, maar dat kwam vooral doordat de populaire Geraldine Farrar, de lieveling van de New Yorkse operawereld én van Arturo Toscanini, de rol van Die Gänsemagd vertolkte. Ze kwam het toneel op met een heuse kudde levende ganzen.   Königskinder is, hoewel ook een sprookjesopera, veel minder toegankelijk dan Hänsel und Gretel. Het idioom is (nog) meer Wagneriaans en van een happy end is geen sprake. Geen “opera voor jong en oud” dus, tenzij u uw peuter om u moverende redenen met een levenslang trauma wil opzadelen.

Deze opera duurt bijna drie uur, en dat is wat aan de lange kant. Gelukkig wordt het beste (de derde akte) tot het laatst bewaard. Wij hadden ons uitermate verheugd op enkele ten tonele gevoerde ganzen, al was het er maar één, waarbij wij een mild standpunt zouden innemen inzake de ganskeuze: de Brandgans, de Grauwe Gans,  de sympathieke Roodhalsgans, ze zijn ons allemaal even lief. Helaas bleven wij in Gelsenkirchen op onze ornithologische honger zitten. We moesten het doen met enkele ganzepoppen. Even leuk, daarna al heel gauw niet meer. Poppen zijn trouwens de nieuwe kalasjnikovs in het grensverleggende, urgente muziektheater voor Mensen van NU.

 

Broodje ongezond

Der Königssohn trekt de wijde wereld in, in de eerste plaats om een echte koning te worden, en wordt verliefd op Die Gänsemagd, het ganzenmeisje met het gouden haar dat met haar vermeende grootmoeder, de heks, in het bos opgroeit. De prins laat de kroon voor wat die is en vindt werk als varkenshoeder in Höllastadt. Daar heerst op dat moment een stadhouderloos tijdperk en zit men dringend verlegen om een staatshoofd. De heks laat weten dat degene die de volgende dag om twaalf uur arriveert, hun nieuwe baas zal zijn.

Dit blijkt de ganzenhoedster te zijn, die wordt begroet door de varkenshoeder. In Höllastadt is men not amused: twee armoedzaaiers op de troon? Echter, de plaatselijke kinderen zijn wel enthousiast.  In de derde akte horen we Humperdinck op z’n allerbest, onder meer in het magistrale, zinsbegoochelende voorspel, welhaast de aanzet tot een symfonie. In deze akte zoeken een minstreel (Der Spielmann) en de kinderen naar het op de vlucht geslagen koningspaar, dat vergiftigd brood blijkt te hebben gegeten. Alleen de lichamen worden gevonden. De body bags kunnen tevoorschijn gehaald worden. Geen “en ze leefden nog lang en gelukkig”. Wel een sprookje van goed en kwaad, de heks tegenover de minstreel, die niets anders ziet dan de schoonheid in de mens, terwijl de heks altijd vreest voor verraad en achter elke boom een beer ziet, hetgeen een fulltime job is gezien de oorspronkelijk bosrijke woonomgeving van mevrouw. Met de nadruk op “oorspronkelijk”, want hoewel het in de gezongen teksten wemelt van de Waldhexen en Zauberwälder, is er de gehele voorstelling geen boom te zien.

 

Fraaie laatromantische klanken

Humperdincks muziek is uitermate interessant (maar je moet er, vooral in de eerste twee akten, wat bij te drinken hebben, zou Willem Kloos ongetwijfeld met mij eens zijn) en biedt een gevarieerde smaakbeleving. Men proeft R. Strauss op de tong, Wagners Siegfried c.q. Rheingold in de afdronk, terwijl de kleur van de sprookjesdrank duidelijke Pelléas et Mélisande tinten vertoont. De fijnproever ontdekt ook een vermoeden Puccini (Bohème, Manon Lescaut) en zelfs een snufje Carmen.

De cast is prima gekozen. De jeugdige stem van de krachtige tenor Martin Homrich en de heldere en ontroerende sopraan Bele Kumberger zijn bijna ideaal voor het jonge koninklijke paar. Kumbergers aria Vater! Mutter!  was aangrijpend. Toch bekroop mij tijdens de uitvoering de gedachte: hoe zou deze rol, die gedijt bij een sprankelende klokjesstem, geklonken hebben in een uitvoering door Cristina Deutekom, met haar eeuwig jonge stem? Martin Homrich, de Königssohn, was in 2016 nog in Nederland te zien en te horen in de schitterend door Lawrence Dale geregisseerde Ariadne auf Naxos, naast Karin Strobos en Soojin Moon. De jonge lyrische, zeer melodieuze bariton Petro Ostapenko, in 2016 doorgedrongen tot de kwartfinales van Plácido Domingo’s Operalia-competitie, is een intense, boeiende Spielmann. Voor ons de vocale ster van de avond. Hij schittert in de prachtige aria in de derde akte “Verdorben-Gestorben“, een aria die nog wel eens tijdens operarecitals wordt uitgevoerd, o.m. door Matthias Goerne.  Almuth Herbst (krachtige mezzo) is een heks om rekening mee te houden en is ongeveer het tegengestelde van de knibbel-knabbel-knuisje variant.  De overige rollen zijn goed bezet en ook het kinderkoor deed het uitstekend. Alle hoofd- en bijrollen worden vervuld door het Ensemble van het Musiktheater im Revier. Gelsenkirchen heeft in zijn prachtige Musiktheater, een architectonisch hoogstandje, nog een echt repertoiregezelschap, een ensemble inclusief dirigenten en regisseurs, dat in de eerste helft van 2019 nog zo’n 10 operaproducties verzorgt. Opgave voor de Nederlandse lezer: stel een repertoiregezelschap samen voor de Nationale Opera, met louter Nederlandse zangers. Denkt u dat we iets tekort zouden komen? Een repertoiregezelschap past natuurlijk niet in de jetset context van het presenteren van (vermeende) Grote Namen, ook al zijn het opgewarmde lijken, maar kweekt wel een hechte band met het eigen publiek en maakt een veel groter aantal verschillende opera’s en hernemingen per seizoen mogelijk.

Ook dirigent Rasmus Baumann is een van de vaste waarden in Gelsenkirchen; hij leidde zijn Neue Philharmonie Westfalen met verve en duidelijk plezier door de partituur en ontlokte het orkest uitermate fraaie laatromantische klanken. Wagner zag c.q. hoorde dat het goed was. Regisseur Tobias Ribitzki, voormalig rechterhand van Barrie Kosky, bracht ons het verhaal in een koele, tikkeltje saaie, geheel Efteling-vrije regie. En weest niet bevreesd: mét video, de conditio sine qua non van opera anno 2018. En uiteraard geüpdatet. Naar nu! Het is een “Märchenoper”, dus laten we er in godsnaam geen sprookje van maken, maar een Maatschappelijk Drama, hetgeen dus zoals gebruikelijk schabouwelijk vloekte bij de muziek. Echter, het gezelschap in Gelsenkirchen verdient lof omdat men niet het eeuwige Hänsel und Gretel op het programma heeft gezet, maar het veel minder toegankelijke en veel minder vaak uitgevoerde Königskinder. Drie uur lang happyendloos naar een sober toneelbeeld kijken vereist enig doorzettingsvermogen, maar de uitvoering was prima de luxe en de omweg van de twee stappen over de Nederlandse-Duitse demarcatielijn, ooit grens, meer dan waard.

Olivier Keegel (gepubliceerd 30 november 2018)

4 Comments

  1. Wiebke Gőetjes schreef:

    Opgave voor de Nederlandse lezer: stel een repertoiregezelschap samen voor de Nationale Opera, met louter Nederlandse zangers. Denkt u dat we iets tekort zouden komen? Een repertoiregezelschap past natuurlijk niet in de jetset context van het presenteren van (vermeende) Grote Namen, ook al zijn het opgewarmde lijken, maar kweekt wel een hechte band met het eigen publiek en maakt een veel groter aantal verschillende opera’s en hernemingen per seizoen mogelijk.

    Precies dit waren mijn plannen voor Opera Zuid, hadden ze mij gekozen als hun nieuwe directeur.

  2. Corinne Romijn schreef:

    Weer heerlijk geschreven . En dat van die Engelbert Humperdinck verwarring had ik dus ook. Ik heb dat nooit durven vertellen want ik dacht dat ik daarin de enige was. LOL. Ik ga eens wat opzoeken op youtube qua Konigskinder. Lijkt me prachtig want ik ken uiteraard de opera als titel maar de muziek niet. Je noemt de Wirt trouwens twee keer in het lijstje met zangers . Lang leve de Wirten in de keilenwinkels ! Uiterst belangrijke mensen. 😀

  3. Jeppe Moulijn schreef:

    Toch mooi dat dit stuk in Duitsland eens uit de kast wordt gehaald, de muziek is van zeer hoge kwaliteit, naar mijn bescheiden mening. Fijne recensie! Dank!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.