STIEKEM NAAR DE OPERETTE

Der Vetter aus Dingsda

Simone Krampe (Julia de Weert) en Stephen Chambers (Ein Fremder). Copyright Landestheater Detmold/Birgit Hupfeld.

 

Der Vetter aus Dingsda is een operette in drie acten van de Duitse componist Eduard Künneke (1885–1953). Het libretto werd geschreven door Herman Haller en Fritz Oliven. Eerste uitvoering op 15 april 1921 in het Theater am Nollendorfplatz te Berlijn. Bijgewoonde voorstelling in het Landestheater Detmold op 25 oktober 2018.

Julia de Weert: Emily Dorn (alternerend met Simone Krampe en Megan Marie Hart)
Hannchen: Annina Olivia Battaglia
Josef Kuhbrot: Andreas Jören
Wilhelmine: Brigitte Bauma
Egon von Wildenhagen: Nando Zickgraf
Ein Fremder: Stephen Chambers (alternerend met Alexander Geller)
Ein 2. Fremder: Jakob Kunath (alternerend met Richard Hamrin)
Hans: Stefan Anđelković
Karl: Kevin Dickmann (alternerend met Kolja Martens)
Celesta: Tobias Kruse (alternerend met Sachie Furuya)

Muzikale leiding: György Mészáros
Regie: Guta G. N. Rau

Muzikaal:
Scenisch:

Verheffing van het volk

In 2001 had de Nederlandse PvdA-staatssecretaris Van der Ploeg, een econoom (!) die door de sociaal-democratische baantjesmachine op het ministerie van Cultuur (!) was gedropt,  het helemaal gehad met de 65-plussers in Nederland. “Ze krijgen allemaal een uitkering en nou willen ze ook nog naar het theater, dat wordt me toch echt te gortig!” Dat kunnen we niet hebben natuurlijk, laat ze liever hun eigen groente kweken in hun door overheidsgeld gesubsidieerde achtertuintje. Dus draaide hij de Hoofdstad Operette de nek om, gesteund door de Bloedraad van Cultuur die de gemiddelde operettebezoeker definieerde als (verbatim) “een zestigplusser met een kleine beurs, die op zoek is naar het bekende repertoire in een theater zo dicht mogelijk bij huis” en hem onderbracht in het dossier “Sofort Beseitigen”. De aanname dat uitsluitend ouderen de operette bezochten (en wat dan nog?) was trouwens onjuist, maar dit ter zijde. In 1992 publiceerde dezelfde econoom Van der Ploeg een artikel met de titel “Is de econoom een vijand van het volk?” Pas 10 jaar later kwam er een ondubbelzinnig antwoord: deze econoom in ieder geval wél! De moord op het hoofdstedelijke operettegezelschap vond plaats onder de dekmantel “te weinig vernieuwend en te weinig allochtonen”. Zoals Philip Hamel, destijds directeur van de Hoofdstad Operette, terecht opmerkte: “Waarom moeten we altijd maar vernieuwen?“

De Hoofstad Operette had een bezettingsgraad van 90-95 %, maakte voorstellingen van uitstekende kwaliteit, die bovendien uiterst succesvol waren, ook in het buitenland. Door de culturele zuivering in 2001 verdween de professionele operette uit Nederland. Er volgden nog enkele pogingen tot reanimatie, maar initiatieven als  het Nederlands Operette Theater, De Nieuwe Nederlandse Operette (hierover later meer), de Stichting de Nederlandse Volksoperette waren tot mislukken gedoemd.

Operette = Wiener Schnitzel

En dus geldt voor de professionele operette wat ook voor de Wiener Schnitzel geldt: wil je je laten verwennen, zoek dan je heil buiten de landsgrenzen althans de geografische lijnen die oudtijds voor grenzen doorgingen. Wij togen deze keer naar Detmold om Der Vetter aus Dingsda van Eduard Künneke te bezoeken. En laat nu juist deze operette door een van de nageboortes van de Hoofdstad Operette, namelijk DNNO (De Nieuwe Nederlandse Operette), te zijn uitgevoerd in 2005. “Ik wil operette die totaal niet aansluit op wat mensen van het genre verwachten”, zei DNNO-initiatiefneemster Muriël van Dinteren,”het klassieke operettepubliek heeft niet het eeuwige leven. Ik wil operette maken voor mijn eigen generatie. Onbekende operettes in frisse regies.” Alle frisse regies ten spijt, maar toen de tenor bij de première inzette met (een Nederlandse vertaling van) de tophit “Ich bin nur ein armer Wandergesell”, neurieden de ruim aanwezige 65-plussers (!) in de volle Rijswijkse Schouwburg massaal mee, aldus de NRC van 5 december 2005. Arme Muriël! Wil je grensverleggend, urgent muziektheater maken, zitten die verdomde oudjes er weer met hun eeuwige geneurie. Van DNNO hebben wij nadien weinig meer vernomen, noch van alle klank-, discussie- en brainstormgroepjes die sindsdien de operette wel weer even op de kaart zouden zetten.

Componist Eduard Künneke (1885-1953) was van Nederlandse komaf. Zijn vader was geboren in Groningen en verhuisde naar Emmerich om het prachtige vak van boekhouder uit te oefenen. Eduard werd in Emmerich geboren en ontpopte zich tot zo’n onuitstaanbaar ventje dat op 7-jarige leeftijd sonates van Mozart en Beethoven speelde. Studerend aan de Hochschule für Musik in Berlijn werd Max Bruch zijn grote leermeester. Deze raadde hem aan: “Schrijf nooit een operette.”

Eigenwijs geweest. Künneke schrijft twaalf operettes, waaronder Der Vetter aus Dingsda (in 1921), de bekendste vertegenwoordiger van de zgn. “Berlijnse Operette”.   In deze tijdens het interbellum geschreven operette vindt men bijna geen Strauss of Léhar-achtige melodieën, maar eerder de foxtrot uit de roaring twenties. Een musical avant la lettre, deze muzikale komedie. Künneke wist als geen ander te switchen tussen dansante ritmiek en sentimentele lyriek. En hij kende zijn klassiekers: wij meenden toch duidelijke “citaten” uit Salome (Sluierdans) en Der Zigeunerbaron (“Ja, das Schreiben und das Lesen“) te horen…

 

Wien Neêrlands bloed

Der Vetter aus Dingsda speelt in Nederland, op het landgoed De Weert. De mooie en jonge Julia de Weert moet aan de man. Voor haar oom en voogd een uitgemaakte zaak: dat moet neef August worden, blijft het familiekapitaal ook nog onder handbereik. Laat Julia daar, o wonder, nu heel anders over denken. Die heeft zeven jaar geleden haar hart al aan Roderich verpand. Sindsdien zit Roderich in “Dingsda” (= Batavia; zie Ons Indië) en Julia wacht met smart op zijn terugkomst. Maar op haar achttiende verjaardag staat ineens alles op zijn kop. Er dient zich een woest aantrekkelijke vreemdeling aan, een dubbelganger van Roderich, die tot een zijtak van de familie Kuhbrodt behoort. In de laatste akte verschijnt dan toch de echte neef Roderich. Hij is Julia al lang op Pinkerton-achtige wijze vergeten en is kortelings verloofd met Hannchen. Een plotselinge wending die bij het aanschouwen van de bloedmooie Annina Olivia Battaglia (Hannchen) volkomen aannemelijk is.  En mazzel voor de dubbelganger: hij kan met zijn Julia trouwen.

Er zitten een paar fijne melodieën in deze operette, zoals “Strahlender Mond”  en  “Ich bin nur ein armer Wandergesell”. De lokale cast in Detmold  kende geen zwakke plekken (fijn buffo-echtpaar ook), en leverde een uitstekende teamprestatie. Zonder de andere leden van het ensemble te kort te doen waren wij vooral enthousiast over Emily Dorn (alternerend met Simone Krampe en Megan Marie Hart) als Julia de Weert, en Stephen Chambers (alternerend met Alexander Geller) als Ein Fremder. Dorn beschikt over een heerlijke, stralend-zuivere sopraan met mooie hoogte; bovendien een uitstekend en aanstekelijk actrice. Chambers, een veelzijdige Nieuw-Zeelandse lyrische, fluwelen maar toch krachtige tenor  die “net zo makkelijk” een Bach-cantate en een Mozart-aria verschalkt als een puike Spoletta voor zijn rekening neemt, vertolkte de absolute tophit in deze operette, “Ich bin nur ein armer Wandergesell”  voorbeeldig. In de zaal van het Landestheater Detmold viel links en rechts een druppel gesmolten hart op de vloer. En zonder Chambers en Dorn op hún beurt te kort te doen, voor mij was Annina Olivia Battaglia in de rol van Hannchen de ster van de avond: wat een elegante stem, wat een acteervermogen! Zij beheerste elke scène waarin zij op het toneel stond, ongeveer net zoals de fenomenale, ongeëvenaarde Nederlandse acteur Ton Kas (toneel! wat weten we ervan…) ook elke medespeler in zijn zak steekt. Annina Olivia Battaglia is nog verontrustend jong, maar lijkt mij een standaard te kunnen zetten als de Despina van de 21e eeuw. (Allen, vooral kenners: “Ho, ho, is dat niet wat voorbarig ?!”) Dat mevrouw Battaglia  van de Heer een buitengewoon aantrekkelijk voorkomen is toebedeeld, doet in het geheel niet ter zake, maar het stond nu eenmaal in mijn aantekeningen.

Gulle lach

De van inspiciënt tot regisseur opgeklommen (je zou menigeen een omgekeerde carrièrestap toewensen) beginnende regisseur Guta G. N. Rau maakte van deze Vetter een voorzichtig-speelse en bij tijd en wijle inventieve voorstelling. De etage-gewijze stapeling pastelkleurige bordkartonnen bloemen deed het ergste vrezen, maar deze verdwenen in de tweede akte gelukkig naar de achtergrond. De oerkomische tennis- en parachutistscène waren voltreffers, evenals de obers die de wijnfles aan de mond zetten. Als geheel was de regie niet heel verrassend, maar gewoon goed en uiterst plezierig. Het publiek had er zin in, en serveerde de gulle lach bij elke manoeuvre die potentieel grappig bedoeld zou kunnen zijn. Wanneer men twee dagen in Detmold heeft rondgelopen, heeft men daar alle begrip voor.

Voor het orkest, dat het prima deed, is er niet veel eer te behalen in deze operette; Walküre-achtige orkestpassages ontbreken. Toen het op het toneel zou moeten regenen, stak de dirigent een paraplu op. Deed me denken aan de keer dat Haitink, ook zo’n feestbeest, een fles champagne ontkurkte toen hij Traviata’s “Libiamo” dirigeerde.  Der Vetter aus Dingsda is nog in het knusse Landestheater Detmold te bezoeken tot medio juni 2019.

En daarmee, geachte lezers, laat ik u over aan de verpozing die de operette u eens placht te bieden.

 

Olivier Keegel (gepubliceerd op 26 oktober 2018)

5 Comments

  1. Truus Blenderman schreef:

    Bedankt Olivier, weer een heerlijk stuk. Wat jammer dat ik er niet naar toe kan, had deze operette graag gezien. Nooit gezien maar ik heb wel een opname met o.a. Anny Schlemm en Rupert Glawitsch.

  2. Fred schreef:

    Heb toch wat bijgeleerd, faut le faire

  3. Pieter K. de Haan schreef:

    Tja, Rick van der Ploeg en de operette: een drama! Weet iemand nog wie Halbe Zijlstra was? Geen PvdA-econoom maar een VVD-socioloog, dïe o.m. staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in het kabinet Rutte I is geweest, over wie ik o.a. opgetekend vond: “Ook werd Zijlstra verweten dat hij geen affiniteit met de sector (Cultuur-dH) zou hebben. Zijlstra noemde dit zelf een voordeel als je zoveel moet bezuinigen”. Wat dat voor de opera heeft opgeleverd, daar kunnen ze m.n. bij de Nederlandse Reisopera en Opera Zuid over meepraten.

    • In België is het niet beter. In 2009 werd Joke Schauvliege minister van cultuur. Zij had toen naar eigen zeggen nog nooit een voet in een schouwburg gezet. Daardoor had ze een “frisse kijk” op de zaak…

  4. Ad Middendorp schreef:

    Als, Der Vetter aus Dingsda maar half zo goed is als je enthousiaste, humoristische en literaire beschrijving, is het al een geweldig spektakel. Het is spijtig dat je rake sneren niemand meer bezeren. Maar ga er vooral mee door, ik geniet ervan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.