Die Frist ist immer noch nicht um

Der fliegende Holländer, opera van Richard Wagner (muziek en libretto). Eerste opvoering in het Hoftheater te Dresden op 2 januari 1843. Bijgewoonde voorstelling in het Staatstheater Braunschweig te Braunschweig op 20 december 2018.

Der fliegende Holländer

Mannenkoor, Jaco Venter (Holländer). ©Bjoern Hickmann.

 

Der Holländer: Jaco Venter
Senta: Inga-Britt Andersson
Daland: Michael Eder
Erik: Alexander Geller
Mary: Zhenyi Hou
Der Steuermann: Matthias Stier

Staatsorchester Braunschweig
Chor und Extrachordes Staatstheaters Braunschweig
Muzikale leiding: Christopher Lichenstein
Regie: Isabel Ostermann

Muzikaal:
Scenisch:

Der fliegende Holländer

Jaco Venter (Holländer), Inga-Britt Andersson (Senta). ©Bjoern Hickmann.

Der fliegende Holländer

Inga-Britt Andersson (Senta), Zhenyi Hou (Mary). ©Bjoern Hickmann.

Der fliegende Holländer

Jaco Venter (Holländer), Michael Eder (Daland), Inga-Britt Andersson (Senta). ©Bjoern Hickmann.

Der fliegende Holländer

Jaco Venter in de titelrol van Der Fliegnde Holländer. ©Bjoern Hickmann.

Het hardnekkige chérauvirus

Volgens mij is de waanzin in 1976 begonnen. Patrice Chéreau presenteerde de Rheintöchter als hoeren en Siegfried gebruikte een industriële stoomhamer om zijn zwaard te smeden. Sindsdien is het libretto niet meer leidend voor de betekenis van een opera, maar slechts een geringe aanleiding voor de postmoderne oprispingen van operaregisseurs. Incongruentie van tekst en dissociatie van context worden voor lief genomen en weggezet als quantité negligeable. Wij zagen eieren zingen en aanschouwden dit met een ons opgedrongen “verdomd interessant” attitude; via de voorstadia “provocerend” en “interessant” evolueerden bizarre producties tot het bon ton van het “moderne muziektheater”. Meer en meer begon het besef te dagen dat het publiek onbekwaam is om de acties en de betekenis van een opera te begrijpen zonder de grootmoedige tussenkomst van de met een visie en een concept gewapende operaregisseur. Die Entführung aus dem Serail belandde in een hedendaags Berlijns bordeel en na scènes met copulatie, fellatio, verkrachting, marteling en verminking eindigden de meeste hoofdrolspelers als lijk. De betreurde Bart Tromp schreef in 1991 in Maatstaf: “Vanzelfsprekend heeft al deze postmodernistische dikdoenerij – anders dan de postmodernen willen weten – wel degelijk strekking en betekenis. Aldus wordt de afkeer tot uiting gebracht van opera als een episodische kunst, die alleen tot leven komt door individuele zangers en musici. De kloof met een publiek dat daarvan weet en daarvan houdt, wordt mogelijk gemaakt door pseudogeleerde lariekoek, opgediend als esoterische wijsheid die slechts door zéér welbegrijpenden genoten kan worden. Opera moet van zichzelf gered worden.”

Die redding is verre van nabij. Het nieuwtje van de idiotie op het operatoneel is verworden tot een fantasieloze, steeds opnieuw geïmiteerde verzameling basisregels waaraan elk “concept” dient te voldoen. De Gulden Regel is: de opera zal nooit in de tijd spelen waarin het werk oorspronkelijk werd geplaatst. Don Giovanni kan naar de 19e of 20e eeuw worden verplaatst, maar het Sevilla van midden 17e eeuw is in de regel uit den boze. Verder dienen essentiële of welbekende operascènes onder het mes worden genomen. Is er sprake van een droom, dan wordt de droom bij de verlichte regisseur de werkelijkheid. Uiteraard wordt een opera waar geen droom in voorkomt op haar beurt omgetoverd tot het aloude “het was maar een droom”. Tosca zal niet van de Engelenburcht afspringen, maar schiet zich door het hoofd of duwt Scarpia van het keukentrapje. Ook de spinsters in Der fliegende Holländer zijn verdwenen. Zij worden bezoeksters van een fitnesscentrum, danseressen visverkoopsters of werkneemsters van een autowasserette.

 

Schip strandt in balzaal

Wij namen weer eens de proef op de som, in Braunschweig deze keer, Der fliegende Holländer.   Van de Holländer krijgen wij nooit genoeg, in welke vorm dan ook. Absoluut de beste Wagner-opera qua tijdsduur en dankzij het simpele, maar o zo verslavende en adrenaline-opwekkende thema van “Steuermann, lass die Wacht”: e-d-c, e-d-c, in dat al even simpele maar briljante ritme waarin de laatste noot van de eerste maat met de eerste noot van de tweede maat verbonden wordt. Letterlijk niet stuk te krijgen! Wij lusten er wel pap van.  Eenvoud en nazingbaarheid zijn ook in de opera het kenmerk van het ware, vandaar Mozart, Bizet, Rossini, Stockhausen! In Braunschweig werden we door regisseuse Isabel Ostermann aan het denken gezet. En daarvoor gaan we immers naar de opera? De gehele Fliegende Holländer speelde zich hier af in een balzaal (?). Twee klokken, een die loopt en een die stilstaat. Ongetwijfeld diepzinnig, de hersenen van uw recensent kraakten. (Tijd, een glibberig ding?) Een van een rots afspringende Senta mochten wij ook hier niet beleven. Het paar gaat op de knieën. Einde. Matrozen? Uitgesloten, het werd een shanty-koor; klik vooral deze link aan, de zon zal in uw leven doorbreken. Een shanty-koor zingt zeemansliederen, geen opera, maar dit ter zijde. Dames aan het spinnewiel? Zat er niet in, het werden visverkoopsters, terwijl de muziek van Wagner krampachtige pogingen deed het geluid van spinnewielen aan de man te brengen. Maar toch, visverkoopsters…. Regisseuse Ostermann hield in de balzaal het mariene aspect  wel degelijk nauwlettend in het oog.

Een Holländer die om 19:30h (eigenlijk om 19:15h, want toen begon het al te onweren achter het gordijn) begint, zodat je om 22:00h aan het bier met Bratwurst kan, daar dient een mens dankbaar voor te zijn. Zeker als het een en ander muzikaal -daar gaan we weer- uitstekend te pruimen is. De amuse van de voorstelling begon met het genoemde onweer (de zaallichten flitsten aan en uit), een overbodige per microfoon en met zo’n voorleesstem gecommuniceerde uitleg over wie de Holländer nu eigenlijk was plus een pantomimevrije (Bravissimo! Bonuspunten!) ouverture. Het doek opende en we zagen Dalands schip een balzaal. Wel uitgerust met een speelgoedschip, dus het libretto kwam niets te kort. Ondanks de matige akoestiek musiceerden dirigent Christopher Lichenstein en zijn Staatsorchester Braunschweig er lustig op los. Vet gespeeld, in beide betekenissen van het woord. Lekker Deutsch in het matrozenkoor “Steuermann lass die Wacht” maar toch wel wat log in de tweede akte, de ontmoeting tussen Holländer en Senta, als Wagner enkele lyrische registers opentrekt.

Voor de zoveelste keer werd de feestscène weer verkeerd begrepen door de regisseur; er is hier geen sprake van leutig carnaval, maar van een angst-overschreeuwende poging tot onbekommerd plezier in het morbide gezelschap van de spookbemanning van Holländers schip. Wagner (heb je die kluns weer!) schrijft zelf in het libretto: “Die Haltung des holländischen Schiffes bietet einen unheimlichen Kontrast: eine unnatürliche Finsternis ist über dasselbe ausgebreitet; es herrscht Totenstille auf ihm.“ Unheimliches Kontrast dus, en dat is iets anders dan een knalparty in een balzaal (!), waar men zich om een speelgoedschip schaart op de wijze waarop men oudtijds verwachtingsvol naar een hamsterkooi staarde in de ijdele hoop dat de mormels het mini-rad zouden betreden.

 

Steuermann begint carrière aan wal

De Holländer werd vertolkt door Jaco Venter, die over een wat gruizige Henk Smit-achtige bariton beschikt die het uitstekend deed in de titelrol. Jammer van de onzekere inzetten. Of hij het erom deed weten wij niet, maar Venter leek zich aanvankelijk wat te sparen om vervolgens in zijn titelrol te groeien naarmate de voorstelling vorderde.  Zijn “Wie aus der Ferne längst vergang’ner Zeiten” was, hoewel technisch niet perfect, indrukwekkend.   De Duits-Zweedse Inga-Britt Andersson is een hoogdramatische sopraan die ook thuis is in het barok-repertoire; zij bracht een (al te) krachtige Senta op het podium. Het was overduidelijk dat de regisseuse “een sterke vrouw” op het oog had, het is immers 2018; dit resulteerde in allerlei moderne, anachronistische gebaartjes terwijl de uitstraling van Andersson er toch een bleef van een paardenstaartmeisje van de afdeling e-marketing dat een keer per jaar met de collegaatjes uit steengrillen gaat met bowling ná. “Helemaal goed!”   Michael Elder, een zanger met een indrukwekkend trackrecord, was een donkere, solide Daland.  Erik werd vertolkt door invaller Alexander Geller, een knappe, atletische Erik, nu eens geen Lulletje Rozenwater. Moeilijk te begrijpen dat deze hunk aan de kant werd gezet ten behoeve van de Holländer, qua uiterlijk een ik-heb-het-een-en-ander-meegemaakt kruising tussen Joe Cocker en Tedje van Es.  Over Zhenyi Hou (Mary) geen klachten: mooi, helder stemgeluid en optimale verstaanbaarheid. Matthias Stier, een echte Wagner-tenor, was een uitzonderlijk goede Steuermann; in deze uitvoering mocht hij niet het scheepsroer ter hand nemen maar was hij gedegradeerd tot klusjesman die de kapotte lampen in de balzaal moest vervangen. Wij beschouwden Matthias Stier als de revelatie van de avond.

Wij realiseerden ons dat wij konden terugkijken op een typische doorsnee-Holländer voor Mensen van Nu. Muzikaal niet spectaculair, maar wel gewoon degelijk en goed. Met alle flauwe rariteiten in de regie zoals die anno 2018 vereist zijn om mee te tellen. Kunnen we het Regietheater niet eens zeven jaar de zee op sturen?

Olivier Keegel (gepubliceerd op 21 december 2018)

5 Comments

  1. Gach Blenderman schreef:

    Hij is weer geweldig Olivier. Het wordt zo langzamerhand entertainment, het lezen van jouw recensies.

  2. Lieneke Effern schreef:

    Geweldig! Amen!

  3. Jan Willem Bultje schreef:

    Wat een prachtig verhaal en goed gedocumenteerd. Werkelijk een top recensie!

  4. A. Molenaar schreef:

    Weer heerlijk om te lezen!

  5. Martin van os schreef:

    Top recencie!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.