JANÁČEKS JAILHOUSE ROCK

Z mrtvého domu (Uit een dodenhuis), opera in drie aktes van Leoš Janáček (1854-1928), op een libretto van de componist, naar de roman Herinneringen uit het dodenhuis van Fjodor Dostojewski. Plaats van handeling: strafkamp aan de Irtysj in Siberië, midden 19e eeuw. Première in het Nationaal Theater Brno op 12-04-1930. Bijgewoonde voorstelling: 6 november, De Munt, Brussel.

Uit een dodenhuis

Uit een Dodenhuis. © H. Segers, De Munt

Aljeja: Pascal Charbonneau
Oude Gevangene: Graham Clark
Skuratov: Ladislav Elgr
Tichon Kabanov: John Graham-Hall
Šapkin: Peter Hoare
Jonge Gevangene: Florian Hoffmann
Šiškov / Priester:  Pavlo Hunka
Don Juan: Aleš Jenis
Čerevin: Alexander Kravets
Dronken Gevangene: Jeffrey Lloyd-Roberts
Čekunov: Ivan Ludlow
Luka Kuzmič: Štefan Margita
Stem: Maxime Melnik
Prostituee: Natascha Petrinsky
Grote Gevangene / Nikita: Nicky Spence
Gevangenisdirecteur: Alexander Vassiliev
Alexandr Petrovič Gorjančikov: Sir Willard White

Symfonieorkest en herenkoor van De Munt
Muzikale leiding: Michael Boder
Regie: Krzysztof Warlikowski

Muzikaal:
Scenisch:

Leoš Janáček was een laatbloeier. Pas toen hij tegen de vijftig liep kwam zijn muzikale ontwikkeling tot volle wasdom. Tussen 1894 en 1903 werkte hij aan zijn cantate Amarus en aan de opera Jenůfa, die in 1904 met veel succes in première ging. Zijn laatste opera Z mrtvého domu, bij ons bekend als Uit een dodenhuis, was nog niet voltooid toen Janáček in August 1928 stierf. Enkele van zijn studenten breiden er een min of meer happy end aan, dat nooit de bedoeling van de componist was geweest.  Janáčeks libretto was gebaseerd op Dostojewski’s roman Записки из Мёртвого дома (Zapiski iz Myortvogo doma, Aantekeningen uit het dodenhuis, 1862), waarin hij het barre leven in een Siberisch strafkamp beschrijft. In Janáčeks Uit een dodenhuis wordt een verzameling mannelijke gevangenen gedwongen onder mensonterende omstandigheden dwangarbeid te verrichten. Zij worden gefolterd en vernederd door de bewakers. Janáček belicht het persoonlijke verhaal van enkele van deze dwangarbeiders. Een van hen is politiek gevangene Alexandr Petrovič Gorjančikov, die ook gefolterd wordt, en later bevriend raakt met medegevangene Aljeja. Gorjančikov komt uiteindelijk onverwacht vrij. De gevangenen laten daarop hun gekooide adelaar los, een symbool voor een mogelijk nieuw, vrij leven.

In 2017 verscheen een nieuwe editie van Uit een dodenhuis van de hand van musicoloog John Tyrrell, met uitvoeringssuggesties door dirigent Charles Mackerras.  Voor de Muntproductie stak Michael Boder, die de muzikale leiding in handen heeft, zijn licht op bij deze twee Janáček-experts.

Uit een dodenhuis is geen opera met een echte plot, eerder een aaneenschakeling van dramatische scenes, gedragen door het geheel der solisten, die als het ware een “Siberisch koor” vormen waarvan de leden om beurten in de spotlight worden gezet. Er is dan ook geen duidelijk onderscheid tussen hoofd- en bijrollen in de gigantische cast van pakweg 20 solisten. Na de ouverture, die oorspronkelijk een vioolconcert was, zien we het gevangenenkamp in Siberië op een winterochtend. De politieke gevangene Gorjančikov wordt binnengebracht en beschimpt door de commandant,  die hem laat folteren. De gevangenen voeren een adelaar met een gebroken vleugel met zich mee en zingen een klaagzang dat zij huis en haard hebben moeten verlaten. Skuratov probeert hen te vermaken en Luka vertelt over de moord op zijn commandant, de misdaad waarvoor hij in het gevang zit. In de tweede akte, zes maanden later, aan de rivier de Irtysj, raakt Gorjančikov bevriend met de jonge Tataar Aljeja en biedt hem aan te leren lezen. De gevangenen proberen wat plezier te maken en voeren enkele toneelstukjes op, o.a. Don Juan. Als Gorjančikov en Aljeja daarna thee drinken, wordt Aljeja aangevallen door een jaloerse medegevangene, terwijl de Jonge Gevangene met de Prostituee op stap gaat. In de derde akte, in het gevangenishospitaal, weer verschillende taferelen: Aljeja praat over de bijbel; Luka sterft; Šapkin vertelt over zijn tegenslagen in het leven en Skuratov klaagt over de afwezigheid van Luisa. Šiškov geeft een verslag van de moord op zijn vrouw. In de laatste scène wordt Gorjančikov tot ontzetting van Aljeja bevrijd en wordt de adelaar (in deze regie een basketballer) uit zijn gevangenschap bevrijd en vrijgelaten. De gevangenen worden naar het werk gemarcheerd. Tot zover Janáček.

 

Groepscijfer

Het is uiteraard ondoenlijk om de vocale prestaties van alle (voortreffelijke) solisten onder de loep te nemen. Ik grijp daarom naar het hulpmiddel dat tijdens mijn studietijd, jaren zeventig van de vorige eeuw, enorm populair was op de gedemocratiseerde Universiteit van Amsterdam: het groepscijfer! En dat moet hier een 9 zijn, want de zang van de Brits-Slavische cast was over de gehele linie indrukwekkend.

Over regisseur Krzysztof Warlikowski waren wij niet geheel onverwacht veel minder te spreken. Om de gedachten even te bepalen: Zonnebril? Check! Poppen? Check! Roken op toneel? Check! Weglopende toeschouwers? Check! Rolstoel? Check! Travestiet? Check! Blowjob? Check! Maskers? Check! Dus, allen: “Grensverleggend, urgent muziektheater voor Mensen van Nu!” Jawel, luitjes.  Uiteraard wordt er uitbundig gebruik gemaakt van de video, uiteraard al tijdens de ouverture. We zien als ergerlijke stoorzender de Franse filosoof-activist Michel Foucault, een gekkie dat uitermate populair was bij het gros van de verdwaasde studentenpopulatie uit dezelfde jaren 70 als hierboven genoemd, enkele pseudo-intellectuele hupsafladderteksten spuien. Helaas met onder- en boventiteling, dat leidt toch af. Wij hebben er verder ons Latijn niet in gestoken. Dan verschijnt in de openingsscène Gorjančikov (de als altijd voortreffelijke Willard White), maar het is een dermate kermis van overdadige onbegrijpelijkheden op het toneel dat Sir Willard tot bijzaak wordt gedegradeerd. Ach, zo’n man, zo’n carrière, liggen we er wakker van? Ben je gek, jôh….

 

Siberië

Laten we het eens over Siberië hebben. Ik denk dat u wel een beeld heeft bij uitgemergelde, gefolterde gevangenen in een Siberisch strafkamp. Helaas, dat beeld is onjuist. Regisseur Warlikowski vertelt ons dat het netjes in de kleren gestoken, weldoorvoede gedetineerden zijn, die zonder uitzondering aan een frequent optredend epileptisch insult lijden (wij vrezen: choreografie). Bewegingen waarvan bezoekers aan psychiatrisch ouderencentrum “Gelukkig Zijn Is Ook Niet Alles” enorm schrikken, totdat het gezaghebbende afdelingssecreet (“Ik zit al 30 jaar in de zorg”) de verontruste zoon en dochter geruststelt met een valse glimlach:  “Laat ze maar even…”. In de tweede acte: video! Interview met zwarte gevangene in dodencel. Deze verklaarde, tot de doodstraf veroordeeld, dat hij veel aan de dood dacht. Mensen, mensen, mensen, je wordt wel met je neus op de feiten gedrukt door deze dekselse Poolse regisseur! Bij de toneelstukjes die de gevangenen voor elkaar opvoeren om enigszins uit de ellende te kunnen ontsnappen, blijken vier Siberië-gangers stiekem in hun cel een fijne breakdance geoefend te hebben, met fabelachtig resultaat. Dat dan weer wel. Lustig ist das Sibirienleben, Faria ! In de derde akte: mega-hupsafladder. Er zijn maskers, levensgrote poppen en de genoemde travestiet. De Prostituee is uitgerust met cowboyhoed, hotpants, witte laarzen en een onhandig gehanteerd (oefenen, meid!) speelgoedpistool. Never a dull moment tijdens deze gezellig chaotische vaudeville, zoals we dit rommeltje maar zullen noemen.

Om het eens heel eenvoudig en zonder opsmuk te formuleren: een dergelijke regie past eenvoudigweg niet bij de briljante, beklemmende muziek, in welke kronkels men zich ook begeeft om recht te praten wat fundamenteel krom is. Het muzikale, Slavische idioom van Janáček (het verhaal zit al in de noten, dat zei Callas al) is mijlenver verwijderd van Warlikowski’s clip-achtige regie die in hoge mate geïnspireerd lijkt op Elvis Presley’s Jailhouse Rock.   De Munt noemt Warlikowski de “leading light van het Europese theater”. Wij zagen in zijn regie eerder een bonte kermisattractie (als zodanig visueel best vermakelijk, vandaar de twee sterren). Jammer, want Janáčeks laatste opera over de veroordeelden in een Siberisch gevangenenkamp is een prachtig werk. Janáček was een genie in het verwerken van literair materiaal tot een libretto en het componeren van muziek die het verhaal tot leven brengt. Dat moet natuurlijk kapot, want opera is geen museum. En een regie die de componist en zijn muziek niet in zijn waarde laat, is dan extra jammer, omdat de koortsachtige partituur bij dirigent Michael Boder wél in uitstekende handen was. De meeslepende, smeulende en verzengende muziek rees boven de irritaties van de enscenering uit, en de zangers waren zoals gezegd geweldig, vooral, zonder de anderen te kort te doen, Willard White als Alexandr Petrovič Gorjančikov, Štefan Margita (wow! voortreffelijk!) als Luka en Nicky Spence als Grote Gevangene.

 

Mislukt schot

De opera eindigt met het vrijlaten van de adelaar. Maar de adelaar was een basketballer. (De twee worden wel vaker door ekaar gehaald.) Die werd dus eerst op Jomanda-achtige wijze uit zijn rolstoel opgewekt.  Als overweldigend slotsymbool werd hij geacht de bal raak (in het netje) te schieten. Dat mislukte helaas.

Ook.

De regie en het muzikale gedeelte van deze coproductie met het Royal Opera House Covent Garden (2018) en de Opéra national de Lyon (2019) liggen dermate ver uiteen, dat de laatste zich als het ware op redelijk veilige afstand bevindt van de schabouwelijke invloedssfeer van de eerste. Wij hebben dus ondanks alles genoten. Van Janáček, van de solisten (zeer), van het koor en van het Symfonieorkest van De Munt onder leiding van Michael Boder (zeer). Goede en goed uitgevoerde muziek is moeilijk kapot te krijgen. De laatste horde die het Regietheater nog moet nemen.

Olivier Keegel (gepubliceerd op 7 november 2018)

8 Comments

  1. L.Effern schreef:

    Heel blij om te lezen dat “the leading light van het Europese theater” de voorstelling niet kapot heeft gekregen.

  2. Hans van Verseveld schreef:

    Toch maar een CD opzetten. Bespaart een hoop ergernis denk ik dan.

  3. Jeanne Doomen schreef:

    Allemachtig.
    Wat een troep op het toneel (al wordt er dan nog zo mooi gezongen).

  4. Daniel McLion / De Leeuw schreef:

    Ik was er helaas niet bij. Maar de recencentie vergroot mijn weerzinom nog iets van deze Kegelaar te lezen. 🤮

  5. Gert Berkelaar schreef:

    Wat een trieste en sacherijnige reactie/beoordeling. Voor mij was het een ‘voorbeeldige’ Janacek: emotie, spanning! Ik was getroffen door het utstekende resultaat van zowel muziek en enscenering: bravo, fantastisch nog meer Janacek!

  6. Anna Minis schreef:

    Hahaha, ik heb weer eens hartelijk gelachen, dank u wel, heer Keegel!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.