BLOODY SATURDAY

Lucia di Lammermoor

Lucia di Lammermoor, opera vanGaetano Donizetti op een libretto van Salvadore Cammarano, gebaseerd op de roman The bride of Lammermoor van Walter Scott. Voor het eerst opgevoerd op 26 September 1835 in het Teatro San Carlo te Napels. Voorstelling in de Metropolitan Opera New York op 14 April 2018.

Lucia: Jessica Pratt
Edgardo: Vittorio Grigolo
Enrico: Massimo Calvetti
Raimondo: Vitalij Kowaljow
Arturo: Mario Chang
Alisa: Deborah Nansteel
Normanno: Gregory Schmidt

Metropolitan Opera Chorus & Orchestra
Dirigent: Roberto Abbado
Regie: Mary Zimmerman

Muziek:
Regie:

Jessica Pratt

Jessica Pratt (Foto: Benjamin Ealovega)

 

Vittorio Grigolo

Vittorio Grigolo (Foto: Jason Bell)

 

Massimo Cavalletti

Massimo Cavalletti (Foto: Dario Acosta)

Op zaterdag 14 april 2018 reden de lijkwagens af en aan bij de MET. Na een opwindende matinee van Luisa Miller met aan het eind drie doden, kwamen er ‘s avonds bij Lucia di Lammermoor nog eens drie lijken bij. Lucia was volledig uitverkocht, evenals Luisa Miller de voorafgaande middag.

Lucia was weer eens gedwongen in een tijdcapsule plaats te nemen; ingestapt eind 16e eeuw en uitgestapt in de 19e eeuw – het waarom was zoals gewoonlijk raadselachtig. De enscenering van Mary Zimmerman zag er tenminste verfrissend traditioneel, ijskast- en Kalasjnikov- en dubbelgangervrij uit. De tuin, het kasteel en het kerkhof zagen er prachtig uit en creëerden wel degelijk een angstaanjagende sfeer.

Wat wij het meest misten … de muziek. Men had nogal gesneden en op schabouwelijke wijze hele delen van duetten eenvoudig weggelaten. De coupures waren uitermate irriterend. Je verwacht bepaalde passages, en die komen gewoon niet. Zeer onbevredigend.

Angstaanjagend – dat was aan het begin van de opera helaas ook vocaal het geval. Jessica Pratt was Lucia, en bij haar allereerste aria werd het ons koud om het hart. En niet van ontroering. Pratt klonk onzeker en wobbly in het hogere register, en wij maakten ons reeds grote zorgen over hetgeen de waanzinscène ons zou brengen. Viel allemaal reuze mee, die eerste aria bleek een slecht momentje geweest te zijn, de rest van de avond leverde Jessica Prat een geweldige prestatie. Haar waanzinscène was een puik staaltje coloratuurzang. Misschien had er bij de zeer lage passages een batterij vervangen moeten worden, want dan was ze in sommige delen van de zaal nauwelijks te horen. Het “duet” met de glasharmonica bracht zoals immer intense vreugde. Wat een heerlijk stuk muziek toch, een pluim voor de glasharmonicaspeler, Friedrich Heinrich Kern, is zeker op zijn plaats.

Edgardo werd vertolkt door Vittorio Grigolo, uit geheel ander vocaal hout gesneden dan zijn tegenspeelster. Hij is een meester in hartstochtelijk overdrijven, en zijn liefde voor overacting lijkt vaak ten koste te gaan van zijn concentratie op de Bühne. De ene na de andere fraaie noot verliet de haag zijner tanden, maar helaas waren ze niet allemaal door Donizetti geschreven. Het tremolo van Grigolo, daar moet je ook tegen kunnen, maar deze zaterdag had hij dat beter onder controle dan in eerdere uitvoeringen die wij hadden bijgewoond. Ook zijn diploma “Italiaanse Passie” had hij deze keer niet om zijn nek hangen, maar in zijn achterzak gestopt. Zijn “Tombe degli avi miei” was prima in orde, zelfs indrukwekkend, evenals zijn laatste aria, “Tu che a Dio spiegasti l’ali”.

Enrico, Lucia’s broer, werd gezongen door bariton Massimo Cavaletti. Hij had enkele zwakke momenten in de eerste acte. Maar daarna werd hij stabieler, hoewel zijn algehele prestatie niet overweldigend was. Hij leek ruzie te hebben met de hoge noten, boette daar duidelijk aan vocale kracht in; het geluid werd magertjes. Ook is zijn stemkleur, naar wij dachten, iets te licht. Als acteur was hij echter een uitstekende brute en kwaadaardige broer.
Formidabel was Vitalij Kowaljow als Raimondo. Zijn grote, rijke en donkere basstem vulde het toch niet misselijke zaaltje van de MET tot in alle hoeken en gaten. Bovendien is Kowaljow ook een zeer goede acteur. Zijn aanwezigheid op het podium, zingend of niet, was onontkoombaar. Een charismatisch zanger, zonder meer.
Mario Chang zong de rol van Arturo helemaal niet slecht. Hij deed wat hij kon om deze toch wat marginale rol enig gewicht te geven. Ook Deborah Nansteel als Alisa, de meid van Lucia, deed het prima.
Misschien heeft tenor Gregory Schmidt, die Normanno zong, een bijzonder fraaie stem. Maar helaas te zwak om overal in de zaal hoorbaar te zijn. Meestal is de akoestiek in de “family circle” (het hoogste balkon in de MET) geweldig, veel mensen zeggen zelfs beter dan in de zaal. Kleine stemmen slagen er echter niet in de bovenste regionen van de zaal te bereiken en de stem van Schmidt was daar helaas een typisch voorbeeld van.

Roberto Abbado dirigeerde het MET-orkest met veel “drive” en energie. Hij slaagde er uitstekend in om de donkere sfeer van het drama en de plot over te brengen, terwijl hij tegelijkertijd de melodieënrijkdom van Donizetti alle eer aandeed.

Noch himmelhoch jauchzend noch zum Tode betrübt keerden wij hotelwaarts.

Gabi Eder / Olivier Keegel  (Gepubliceerd op 17/4/2018)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *