BALLO IN MASCHERA ALS TRIOMPHE DES DAMES

Un ballo in maschera

Nina Minasyan (Oscar) & Simone Piazzola (Renato) (Foto: Emilie Brouchon / Opéra national de Paris)

Un ballo in maschera, opera van Giuseppe Verdi op een libretto van Antonio Somma, geïnspireerd op het libretto voor de opera Gustave III ou le Bal masqué van Eugène Scribe, geschreven voor Daniel-François-Esprit Auber. Voor het eerst opgevoerd in het Teatro Apollo te Rome op 17 fébruari 1859. Première door de Opéra national de Paris in de Opéra Bastille op 16 januari 2018.

Riccardo: Piero Pretti
Renato: Simone Piazzola
Amelia: Sondra Radvanovsky
Ulrica: Varduhi Abrahamyan
Oscar: Nina Minasyan
Silvano: Mikhail Timoshenko
Samuel: Marko Mimica
Tom: Thomas Dear

Orchestre et Chœurs de l’Opéra national de Paris
Dirigent: Bertrand de Billy
Regie: Gilbert Deflo

Muziek:
Regie:

De versie van Verdi’s Un ballo in maschera die dit jaar in de Opera van Parijs opgevoerd wordt, is zowel muzikaal als scenisch een echte 19e-eeuwse Franse grand opéra.

Van de prelude tot het einde leidt dirigent Bertrand de Billy het orkest met een onmiskenbare nadruk op transparantie. Elke toon is fijn gearticuleerd, de melodieën worden minutieus geaccentueerd en de partituur wordt langs een nauwkeurig uitgestippeld pad geleid. Deze muzikale edelsmeedkunst klinkt bijzonder fraai, maar wij kunnen ons voorstellen dat ze onder een minder minutieuze dirigeerstok al snel oppervlakkig zou kunnen overkomen. Deze aandacht voor detail belemmert de ontplooiing van de partituur en ontneemt ons een echt spanningsveld. Anderzijds kunnen de stemmen door het relatief trage ritme openbloeien: de zangers leven zich uit in hun aria’s, en het koper en het slagwerk geven invulling aan de wreedheid van het lot, maar de toeschouwer heeft soms het gevoel dat hij een operaconcert bijwoont, zonder dramatische continuïteit.

De aria’s worden over het algemeen prima gezongen, dat wel. Piero Pretti, in de hoofdrol van Riccardo, is een bekwame tenor, maar een tikje opschepperig in de aria’s. Hij is vooral uitstekend in vorm in het trio met Oscar en Renato aan het einde van de eerste scène en wanneer hij zich vermomt voor de ontmoeting met waarzegster Ulrica. Hij overtuigt echter minder als hij uitdrukking moet geven aan zijn amoureuze wanhoop.

Sondra Radvanovsky is gezegend met een krachtige stem. Ze beschikt over een soepele hoogte en een overtuigend acteertalent, waardoor zij de door liefde gekwelde Amelia overtuigend weet neer te zetten.

Bij het begin van de tweede akte, bij de galg waar de plant groeit die haar liefdesvlam moet doven, drukt zij op briljante wijze de tegengestelde gevoelens uit die haar verscheuren: liefde en pijn, zwakheid en vastberadenheid. Haar zang weerspiegelt voortreffelijk de verschillende facetten van het personage, van wanhopig smeken tot hartstochtelijke liefde, van angst tot verbijstering.

De bariton Simone Piazzola vervult de rol van Renato, de toegewijde maar bedrogen vriend. Hij doet zijn best om de sympathie van de toeschouwer te winnen, maar zijn stem klinkt niet vrij en zijn acteren is nogal overdreven. Het duo van samenzweerders wordt door de bas Marko Mimica en de bariton Mikhail Timoshenko overtuigender gezongen en geacteerd.
Ook de waarzegster Ulrica, vertolkt door Varduhi Abrahamyan, slaagt er niet in om de wolken te doorbreken die zich dreigend boven haar contraltostem samentrekken; haar “podiumprésence” is haar grootste troef.

Ten slotte is er nog de page Oscar, een centraal maar dubbelzinnig personage, gezongen door Nina Minasyan, een sleutelfiguur in de intrinsieke ambivalentie van het bal waar de moord plaatsvindt. Haar aria’s zijn vocale uitdagingen, rijk versierd, de bravourestukjes van Rossini waardig. Nina Minasyan zingt ze overtuigend met een gezonde dosis vinnigheid.
Het koor is prima op dreef, vooral tijdens de slotscène, wanneer het de zaal vult met een indrukwekkende hoeveelheid plechtige decibels.

De enscenering van Gilbert Deflo is verfijnd en elegant, terwijl het grootse gebaar toch niet geschuwd wordt, zoals bij deze opera past. Het verhaal begint in een decor met witte banken, bekroond door een gigantische adelaar; het gaat verder in de grot van Ulrica waar drie zwarte drakenkoppen hun tong uitsteken boven vuurpotten en wulpse dames. In de tweede akte is er een buitensporig grote galg, opnieuw versierd met adelaars, terwijl de samenzwering tegen Riccardo haar beslag krijgt voor een zwarte fontein. In de langverwachte balscene domineren acht zwarte, oranje verlichte kolommen de menigte gemaskerde Harlekijnen.

Deze Ballo in Parijs is trouw aan de intenties van Verdi en aan de context die zijn schepping omringde. Het is jammer dat de dramatische adem niet levendiger is en dat sommige vocale bijdragen enigszins aan de middelmatige kant zijn.

Er zijn nog voorstellingen op 19, 22, 25, 28, 31/1, 3, 6 et 10/2/2018.

Max Yvetot / Olivier Keegel (Gepubliceerd op 18/1/2018)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *