“SCHWANDA, DER DUDELSACKPFEIFER”

Schwanda, der Dudelsackpfeifer

Ensemble met in het midden Dilara Baştar als de koningin. (Foto: Rolf K. Wegst)

Švanda dudák, opera van Jaromír Weinberger op een Tsjechisch libretto van Miloš Kareš, gebaseerd op het drama Strakonický dudák aneb Hody divých žen (De doedelzakblazer van Strakonice) van Josef Kajetán Tyl. Voor het eerst opgevoerd in de Nationale Opera te Praag op 27 april 1927. Gezongen in de Duitse vertaling van Max Brod. Première van deze productie in het Theater Giessen op 13 mei 2018. Bijgewoonde voorstelling op 19 mei 2018.

Schwanda: Martin Berner
Dorota: Aleksandra Rybakova
Babinsky: Tilmann Unger
Königin: Dilara Baştar
Magier: Seungweon Ezio Lee
Teufel: Christian Tschelebiew

Chor und Extrachor des Stadttheater Gießen
Philharmonisches Orchester Gießen

Dirigent: Jan Hoffmann
Regie: Cathérine Miville

Muzikaal:
Scenisch:

Toen Weinberger in de jaren 1925-27 zijn Svanda Dudak componeerde, hadden Schönberg’s vijftien jaar oude Erwartung en Die glückliche Hand eindelijk hun première beleefd en maakte het publiek voor het eerst kennis met Wozzeck van Alban Berg in de operatheaters van o.a. Berlijn en Praag. In het werk van Weinberger zoekt men tevergeefs naar sporen van de Tweede Weense school. Het enige modernisme in Svanda hebben wij te danken aan de duivel die in de tweede akte zijn verveling probeert te verdrijven met een komische dissonante Polka. Ouderwets romantisch is Svanda echter ook niet en het muziekdramatische idioom is nog het best te vergelijken met dat van Franz Schreker en/of Hans Pftizner.

Het verhaal van de vrolijke, maar wat roekeloze doedelzakspeler stamt uit Bohemen. Zijn compaan Babinksy is een edelmoedige rover, een soort Tsjechische Robin Hood en zijn tegenspeler is de duivel die naar goede traditie bij het slot het onderspit moet delven.

De voorstelling die wij in Giessen bijwoonden was niet om over naar huis te schrijven. Vooral het orkest o.l.v. Jan Hoffmann klonk ongenuanceerd luid, de strijkers misten glans en het geheel klonk bijzonder schraal. Mochten de luidsprekers van onze stereo-installatie zo’n klank produceren, zouden wij meteen de volumeknop een flinke draai naar links geven.

Ook bij de solisten zat het niet altijd even knus. Martin Berner is niet de Spielbariton waar de partij van Schwanda om vraagt, daarvoor is zijn stem te dramatisch en mist hij het honingzoete van een Herman Prey. Tilman Unger als Babinsky openbaarde een voorkeur voor forte en fortissimo die door de dirigent flink afgeremd had moeten worden. De grootste teleurstelling was echter de sopraan Aleksandra Rybakova die onbeholpen stug klonk, zonder poëzie, charme of lieflijkheid. Bovendien had zij bestendig intonatieproblemen en wist zij als actrice geen blijf met de rol van Dorota.
De mezzosopraan Dilara Baştar was als koningin beter op dreef en ook de sonore bas van Seungweon Ezio Lee imponeerde als de magiër.
De bas Christian Tschelebiew was een kernachtige duivel met een voortreffelijke hoogte, maar hij was uitgedost met een lichtgrijs pak en een witte muts, terwijl het kleinste kind toch weet dat een sprookjesduivel enkel rood en zwart draagt!

Dat brengt ons bij de enscenering van Cathérine Miville, een mengeling van traditioneel en modern, zonder écht storende elementen en vlot geacteerd. Schwanda had geen doedelzak, maar liep bestendig met een bruin pakje onder zijn arm dat blijkbaar het instrument moest suggereren.

Schwanda is een opera boordevol mooie melodieën en meeslepende balletten die het verdient vaker opgevoerd te worden. Jammer dat het eindresultaat van deze voorstelling een wat terloopse indruk liet.
Wij zagen in Giessen al betere producties!

Er zijn nog voorstellingen op 16 en 29/6/2018.

G.M. (Gepubliceerd op 21/5/2018)

1 Comment

  1. fred schreef:

    oops, was van plan te gaan want toch een rariteit, nu heb ik me de tijd, het geld en de reis bespaard. Tnx

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *