“DER MIETER”

Der Mieter

Michael Porter (Körner), Björn Bürger (Georg), Theo Lebow (Krell) en Philharmonia Chor Wien. (Foto: Barbara Aumüller)

Opera van Arnulf Herrmann op een tekst van Händl Klaus naar motieven van de roman Le Locataire chimérique (1964) van Roland Topor en de film The Tenant van Roman Polanski. Opdrachtwerk van de Oper Frankfurt, gecreëerd op 12 november 2017. Bijgewoonde voorstelling op 18 november 2017.

Georg: Björn Bürger
Johanna: Anja Petersen
Herr Zenk: Alfred Reiter
Frau Bach: Hanna Schwarz
Frau Greiner: Claudia Mahnke
Frau Dorn: Judita Nagyová
Körner: Michael Porter
Krell: Theo Lebow
Ingo / Kellner: Sebastian Geyer

Philharmonia Chor Wien
Frankfurter Opern- und Museumsorchester

Dirigent: Kazushi Ōno
Regie: Johannes Erath

Muzikaal:
Scenisch:

Ooit was de Grieks/Romeinse mythologie de grote inspiratiebron voor operacomponisten. Orfeo moet wel honderden keren getoonzet zijn, van Monteverdi tot Offenbach. De laatste jaren worden componisten echter meer door films aangetrokken. Zeer recent baseerde Sebastian Fagerlund zijn nieuwe opera Höstsonaten op de gelijknamige film van Ingmar Bergman (lees hier de recensie). In het Theater Hagen zagen wij zelfs enkele jaren achter elkaar nieuwe opera’s telkens gebaseerd op films: Lola Rennt (Ludger Vollmer – 2014), Selma Jezkova (Dancer in the Dark) (Poul Ruders – 2013) en Gegen die Wand (Ludger Vollmer – 2011).
De laatste bioscoopvoorstelling door de Metropolitan Opera was The exterminating Angel van Thomas Adès, gebaseerd op de film (1962) van Luis Buñuel.

De Oper Frankfurt brengt nu Der Mieter van Arnulf Herrmann die zich liet inspireren door The Tenant (Le Locataire) van Roman Polanski, een wel zeer bijzondere keuze. Om goed voorbereid te zijn keken wij naar de film uit 1976, waarin Roman Polanski zelf de hoofdrol speelt naast Isabelle Adjani en een schaar goed gekende Franse acteurs die toen nog aan het begin van hun carrière stonden.

Wij vertellen even in het kort waarover het gaat. Er heerst woningnood. Geoge is daarom tevreden dat hij alsnog een kamer gevonden heeft. De vorige huurster is overleden: ze heeft zich uit het venster gegooid. Zodra George zijn intrek heeft genomen beginnen de medehuurders zich in zijn leven te mengen. Aanvankelijk zijn er opmerkingen over lawaaioverlast. Daarna wordt hem gevraagd een petitie te ondertekenen om een andere huurder uit het huis te zetten. Hij wil zijn kamer niet verliezen en daarom wordt zijn bewegingsvrijheid steeds beperkter. De kelner in het café waar hij dagelijks zijn ontbijt neemt en sigaretten koopt (en waar ook de overleden huurster een dagelijkse klant was) dwingt hem de keuze van drank en rookgerief op van zijn voorgangster.

Tenslotte is het niet meer duidelijk of de handelingen nog reëel zijn of zich enkel in zijn hoofd afspelen. Hij wordt het slachtoffer van een voortschrijdende paranoia. Het brengt hem tot het volledige verlies van zijn identiteit en het waanidee dat hij gedwongen wordt hetzelfde lot te ondergaan als de vorige huurster.

Wij zagen niet meteen hoe een muzikale adaptatie mogelijk zou zijn. Wel was het ons duidelijk dat er gesnoeid moest worden in de personages, de nogal rechtlijnige actie en het al bij de aanvang voorspelbare einde.
Dat bleek ook de visie van de componist die de handeling toespitste op de innerlijke leefwereld van de protagonisten. Alles werd abstracter, iets surrealistisch zelfs en regisseur Johannes Erath maakte er dankzij projecties, overlappende videobeelden en gaasdoeken een regelrechte droomwereld van, subliem in beeld gebracht en steeds de aandacht vasthoudend.

Muzikaal was de opera best genietbaar. Een orkest van Straussiaanse omvang (wij telden niet minder dan zes hoorns) zorgde voor bloedstollende momenten. Felle klankuitbarstingen moesten het geklop van de boze medehuurders suggereren, de donkere koperblazers en de steeds terugkerende motieven tekenden uitstekend de voortschrijdende obsessie.
Opvallend waren ook de vele stille momenten. De opera begint trouwens met een volledige stilte van bijna tien minuten, waarna George een monoloog zingt met als enige begeleiding het lekken van een kraan. Niet voor niets was een enorme lavabo het enige meubel dat prominent in beeld gebracht werd.

Er werd ook opvallend mooi gezongen door de bariton Björn Bürger als George en vooral door de sopraan Anja Petersen als Johanna, de schim van de vorige huurster, een personage dat niet in de film voorkomt en hier de grootste partij te zingen heeft. Zij is gezegend met prachtige stemmiddelen en met grote dramatische gaven. Opvallend was ook de welluidende en stijlvolle bas Alfred Reiter als Herr Zenk, de huisbaas. Hanna Schwarz zong de rol van Frau Bach (de huisbewaarster, Shelley Winters in de film). Wij hebben mooie herinneringen aan haar Fricka en Erda in de Bayreuther Ring van 1976. Zij is nog steeds de delicate verschijning van veertig jaar geleden met een fluwelen mezzosopraanstem, al liet zijn incidenteel een onzuivere intonatie horen.

De grote triomfator van de avond was echter het Frankfurter Opern- und Museumsorchester onder de leiding van Kazushi Ono. Fascinerend, zoals hij de donkere, aardse klanklagen over elkaar liet schuiven. Ook het bijtend, scherp geëtste slagwerk was geweldig.

Een creatie die wij beslist kunnen aanbevelen. Er zijn nog voorstellingen op 24, 29/11, 2 en 7/12/2017.

G.M. (Gepubliceerd op 20/11/2017)

DelenShare on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *