“PYGMALION EN ARIADNE”

Pygmalion

Pygmalion – Lavinia Dames als Galatea en Ovidiu Purcel als Pygmalion. (Foto: Birgit Hupfeld)

Il Pigmalione, scena lirica van Gaetano Donizetti. Het libretto is gebaseerd op dat van Antonio Simeone Sografi voor Giovanni Battista Cimador’s Pimmalione (1790), op zijn beurt gebaseerd op Jean-Jacques Rousseau’s Pygmalion en tenslotte op het boek X van Ovidius’ Metamorphosen. Dit was de eerste opera van Donizetti, gecomponeerd in september/oktober 1816.
Ariane, opera in één acte van Bohuslav Martinů op een Frans libretto van de componist, gebaseerd op het toneelstuk Le Voyage de Thésée van Georges Neveux. Voor het eerst opgevoerd in het Musiktheater im Revier te Gelsenkirchen op 2 maart 1961.
Bijgewoonde première door de Deutsche Opera am Rhein in het Theater Duisburg op 22 april 2018.

Pygmalion: Ovidiu Purcel
Galatea: Lavinia Dames
Duisburger Philharmoniker
Dirigent: Ville Enckelmann
Regie: Volker Böhm

Ariadne: Heidi Elisabeth Meier
Theseus: Laimonas Pautienius
Burun / Wächter: Luis Fernando Piedra
Minotaurus: Lukas Konieczny
Duisburger Philharmoniker
Dirigent: Jesse Wong
Regie: Kinga Szilágyi

Muzikaal:
Scenisch:

Tristan kan niet zonder Isolde, Hansje zou geen pret hebben zonder Grietje en zonder Romeo is Juliette ondenkbaar. Pygmalion en Ariadne hebben echter niet veel met elkaar gemeen. Het is ook niet de titel van één opera, maar van twee, die behalve dat zij allebei ontleend zijn aan de Griekse mythologie/literatuur, niets met elkaar gemeen hebben. Bovendien liggen de muzikale idiomen van de eerste opera van Donizetti en de laatste van Martinů een wereld uit elkaar.

Donizetti schreef dit jonge opus op zes dagen tijd. Hij was toen negentien: jong, maar in feite toch niet meer zo jong. Mozart had op die ouderdom al enkele avondvullende opera’s op zijn actief. In feite is het niet meer dan een cantate, harmonisch niet erg rijk maar met mooie deuntjes, buiten enkele replieken van Galatea, volledig gezongen door Pygmalion. Deze rol werd toevertrouwd aan de tenor Ovidiu Purcel, niet meteen een primo uomo bij de Deutsche Opera am Rhein. Zuiver stilistisch gezien was hij op zijn plaats, hij ornamenteerde vakkundig maar de stem werd ontsierd door een onaangenaam metalliek timbre en een geforceerde en geknepen hoogte. Ondanks de fraaie, maar korte tussenkomsten van Lavinia Dames als Galatea en de smaakvolle enscenering van Volker Böhm, vonden wij dit eerste luik van de avond maar een mager beestje.

Gelukkig had het tweede deel meer om het lijf. Martinů schreef deze korte opera als tussendoortje terwijl hij aan zijn Griekse Passie werkte. De stijl zou je neo-barok kunnen noemen, zo sterk is de opera stilistisch en muzikaal verbonden met de onvoltooide opera van Monteverdi waarvan ons enkel het Lamento d’Arianna bekend is.

De bariton Laimonas Pautienius gaf met voldoende gezag gestalte aan de krijgslustige Theseus en de kelderachtige bas van Lukasz Konieczny was vocaal best geschikt voor de rollen van Minotaurus en een oude man.
Zoals bij het werkje van Donizetti wrong ook hier het schoentje bij de hoofdrol: Ariadne. Hier is een sopraan vereist met de kwaliteiten van b.v. een Anja Harteros of Sonya Yoncheva, een sopraan met glans en een stralende hoogte. Helaas ontbrak dat Heide Elisabeth Meier allemaal. De hoogte was er wel, maar niet trefzeker, onstabiel en wij misten de rijke uitstraling waar de rol om vraagt.

Jammer toch dat eersteklaszangers liever voor de honderdste keer een repertoirewerk van Verdi of Puccini zingen dan zich even in dienst te stellen van een minder gekende opera, wat hun na verloop van tijd nochtans meer achting zou opleveren. Wij geven, even terzijde, een voorbeeld. Jonas Kaufmann zingt voor zijn eigen glorie rollen als o.a. Otello, Manrico en Andrea Chenier, rollen waar wij helemaal niet zitten op te wachten dat hij ze zou zingen en waar hij, naast de vele andere tenors die in dit repertoire gloriëren, niet meteen een meerwaarde kan aan toevoegen. Terwijl tenorpartijen voor het Duitse repertoire hiaten vertonen die hij met glans zou kunnen invullen, zoals Paul in Die tote Stadt, om maar één voorbeeld te geven.

Terug naar Knossos, dat door regisseur Kinga Szilágyi zeer levendig, maar minder keurig in beeld gebracht werd dan Pygmalion door Volker Böhm.
Er werd wel bijzonder fraai gemusiceerd door de Duisburger Philharmoniker o.l.v. Jesse Wong. Bij de uitvoering van werken van Martinů staan wij steeds versteld van de doorzichtige klankkleur, de sprankelende instrumentatie van deze begaafde en toch vaak miskende componist.

Een bijzonder interessante avond die helaas ontluisterd werd door de te zwakke vocale vertolkingen.

Er zijn nog opvoeringen te Duisburg op 5, 13 en 20/5/2018.

G.M. (Gepubliceerd op 23/4/2018)

4 Comments

  1. Conus schreef:

    Jammer, dat het vocaal niet voldoende bracht. Zeer informatieve recensie.

  2. Hans van Verseveld schreef:

    Spijtig dat de naam van de recensent nergens gemeld wordt. Nu is het een niet zo goed verhaaltje van een anoniem persoon. Donizetti’s Pygmalion afdoen als harmonisch niet rijk maar wel met mooie deuntjes, vind ik een beetje mager. Je zou toch enige extra informatie over het ontstaan van deze eerste opera van Donizetti mogen verwachten waaronder het saillante detail dat hij het werkje in 1816 componeerde, maar dat het pas 134 jaar later op 13 oktober 1960 (!!) in premiere ging met Orianna Santunione en Doro Antonioli, voorwaar niet de slechtste zangers van hun tijd. In deze tijd waarin belcanto bijna verboden lijkt en de kennis van zangers uit de vorige eeuw steeds minder wordt zijn dit soort extraatjes van belang.

    • Door te klikken op de links naar Wikipedia onder de naam van het werk en onder de naam van de componist, vindt de lezer doorgaans de informatie die hem interesseert, zoals een korte inhoud en/of een ontstaansgeschiedenis. Waarom deze informatie nog eens herhalen in de recensie?

      G.M. staat voor Guillaume Maijeur.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *