Ti vedo, ti sento, mi perdo – Wachten op iemand die nooit komt

Ti vedo, ti sento, mi perdo

Laura Aikin (Sängerin) (Foto: Clärchen und Matthias Baus)

Ti vedo, ti sento, mi perdo (in attesa di Stradella), opera van Salvatore Sciarrino (Muziek en tekst). Voor het eerst opgevoerd in het Teatro alla Scala di Milano op 14 november 2017. Première in de Staatsoper Unter den Linden, Berlijn, op 7  juli 2018. Bijgewoonde voorstelling op 9 juli 2018.

Sängerin: Laura Aikin
Musiker: Charles Workman
Literat: Otto Katzameier
Pasquozza: Sónia Grané
Chiappina: Lena Haselmann
Solfetto: Thomas Lichtenecker
Finocchio: Christian Oldenburg
Minchiello: Emanuele Cordaro
Junger Sänger: David Oštrek

Staatskapelle Berlin
Opera Lab Berlin
Dirigent: Maxime Pascal
Regie: Jürgen Flimm

Muziek:
Regie:

De Duitse première van Salvatore Sciarrino’s opera Ti vedo, ti sento, mi perdo was de laatste première van dit seizoen bij de Staatsoper Unter den Linden. Deze productie kwam tot stand in samenwerking met La Scala en is tevens de opening van „Infektion! Festival für neues Musiktheater“ opgericht door Jürgen Flimm. Flimm neemt met deze productie afscheid als operaregisseur, en dat is een gevoelig verlies voor de operawereld.

Ti vedo, ti sento, mi perdo brengt ons naar een Romeins paleis in de barokperiode. We zijn getuige van de repetities voor een cantate. De opera gaat over het ontstaan ​​en het wezen van de muziek, in dit geval gerelateerd aan de Orpheus-mythe. Net als Odysseus, lukt het Orpheus voorbij te varen aan het eiland van de Sirenes zonder te bezwijken voor hun betoverende klanken.

Een Zangeres en het koor wachten op de beroemde componist Alessandro Stradella, die zijn nieuwe aria komt brengen. De Amerikaanse Laura Aikin begon haar carrière in Berlijn. Ze vertolkte de diva op grandioze wijze en manoeuvreerde intonatiebestendig door de soms krankzinnige intervallen (eigentijdse muziek immers!) en opgeworpen hindernissen.  Er is een Muzikant, indringend en soeverein vertolkt door Charles Workman. De Schrijver is een sterke rol van Otto Katzameier, uitgerust met een fantastisch homogene basbariton. De supporting act is in handen van twee jonge meiden, rollen van Sónia Grané en Lena Haselmann, die met vrolijke, glinsterende stemmen het bonte spektakel compleet maken. Countertenor Thomas Lichtenecker doet ook een fraai glimmende duit in het zakje en tot slot zijn er nog overijverige, geestige dienaren, vertolkt door o.m. Christian Oldenburg en Emanuele Cordaro, plus de rol van Jonge Zanger, in handen van David Oštrek, finalist en winnaar van talrijke zangcompetities.

 

Commedia dell’arte

Op het toneel is het een en al hectiek. De repetitie duurt acht jaar. De uit de commedia dell’arte ontsnapte bedienden belasteren en parodiëren hun meester, de Schrijver en de Muzikant nemen uitgebreid Stradella’s liefdesleven door. De diva repeteert, lijdt, eet en verlangt naar de geliefde. Hoe dat allemaal in zijn werk gaat? De artiesten verouderen zichtbaar, aan het eind van de tweede akte – een enorme tijdsprong- liggen ze uitgeput als terminale meikevers met hun benen in de lucht te spartelen.

De componist komt niet, maar heeft een aannemelijk excuus: hij is dood. Zijn passies werden Stradella noodlottig. Op de vlucht redde hij het nog tot Genua, maar daar valt hij in handen van zijn moordenaars. Hij bekoopt zijn visioenen, zijn affaires tot in de hoogste kringen en zijn vrijheidsdrang met zijn leven.

Kostuumontwerpster Ursula Kudrna maakte voor deze voorstelling fraaie, weelderige pop-barokkostuums. Het decor wordt sober gehouden, waardoor het voor regisseur Jürgen Flimm de perfecte setting is voor zijn fantasierijke, steeds veranderende en kleurrijke enscenering à la James Turrell. De voortreffelijke belichting is van Olaf Freese.

 

Spektakel

De hoogtepunten in de acteerprestaties lopen fraai synchroon met de muziek, die op deze wijze veel overeenkomsten vertoont met filmmuziek. Zoals hij ook al in de Scala deed, leidt Maxime Pascal beide orkesten (er is een concertino op de Bühne) soeverein door de avond.

Het spektakel op de Bühne is een lust voor het oog. Constant verschijnen er nieuwe figuren: van exotische danseressen tot Suzuki en Butterfly, en balletleerlingen. Nu eens wordt er met confetti gestrooid, dan weer regent het donsveertjes. Er zijn maskers, er zijn clownsgezichten. Er wordt gedanst, er wordt gesprongen, er wordt voortdurend koffie gezet en er wordt aan tafel een staaltje synchroon-eten weggegeven. Er is een tweede Bühne waarop constant wordt gebouwd; men sleept met planken, schilderijen worden opgehangen. Het is allemaal bijzonder vermakelijk. Maar wat willen ze daar nu eigenlijk allemaal? Grande Confusione.

Van de muziek van Stradella horen we niet veel terug in deze opera. Afgezien van enkele reminiscenties in de aria’s van de Zangeres is het „old-school“ Sciarrino wat de klok slaat. De klanken die uit de diverse orkesten opstijgen, hebben erg weinig met het derde deel van Beethovens Zesde Symfonie „Vrolijk samenzijn van de landmensen“ te maken.  Sciarrino’s muziek, onvervalste piep-knor, werd eens als avant-gardistisch bestempeld, maar het gefluister, gegil, geknor, geruis etc. zijn eigenlijk alweer passé. Zelf verklaarde Sciarrino een grote hang naar het verleden te hebben, hetgeen zijn keuze voor Stradella, destijds een vernieuwer, zou verklaren.

In de Apollosaal van de Staatsoper Unter den Linden kan tijdens de pauze een tentoonstelling over Salvatore Sciarrino worden bezocht. Er is ook een uitstekend programmaboek.

De volgende uitvoeringen vinden plaats op 13 en 15 juli. Er zijn nog voldoende kaarten beschikbaar.

Daniela Debus / Olivier Keegel (adaptatie)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.