HALBE WITWE, HALB SO LUSTIG

Verena Barth-Jurca, Regina Riel, Reinhard Alessandri, Robert Herzl en Ensemble (Foto Hofer, Bad Ischl)

Die lustige Witwe, operette van Franz Lehar op een libretto van Victor Léon en Leo Stein naar Henri Meilhacs blijspel L’attaché d’ambassade (1861). Voor het eerst opgevoerd in het Theater an der Wien in Wenen op 30 december 1905. Bijgewoonde voorstelling te Bad-Ischl, Lehar Festival, op 15 augustus 2017.

Baron Mirko Zeta: Steven Scheschareg
Valencienne: Verena Barth-Jurca
Graf Danilo: Reinhard Alessandri
Hanna Glawari: Regina Riel
Camille de Rosillon: Clemens Kerschbaumer
Vicomte Cascada: Wolfgang Gerold
Raoul de Saint-Brioche: Roman Martin
Njegus: Robert Herzl

Franz Lehár Orchester
Chor des Lehár Festivals Bad Ischl
Muzikale leiding: László Gyükér

Regie: Leonard Prinsloo

Muzikaal:
Scenisch:

Van 15 juli tot en met 3 september vindt in Bad Ischl het Léhar Festival plaats. Na een fantastische Kaiserin Josephine van Emmerich Kálmán (zie recensie) bezocht ik Die lustige Witwe. Als Die Fledermaus de koningin der operettes is, dan is Die lustige Witwe ongetwijfeld de keizerin. Hoe afgekloven het verhaaltje van de rijke, beeldschone weduwe Hanna Glawari en bon vivant Graf Danilo ook is, ik kan van deze operette eigenlijk niet genoeg krijgen. Dat zal voornamelijk wel komen door de enorme melodieënrijkdom met parels als “Ich bin eine anständige Frau”, “Jetzt geh’ ich ins Maxim”, “Lippen schweigen” en het “Viljalied”. Bij een goede regie proeft men ook de sfeer van de hogere kringen in Parijs rond 1900, en de combinatie van sfeer en muziek is onweerstaanbaar.

Na de formidabele Kaiserin Josephine werd Die lustige Witwe, geregisseerd door dezelfde Leonard Prinsloo, met spanning tegemoet gezien. Het werd een bittere tegenvaller. Om maar eens marktconform met de regie te beginnen: het was een onoverzichtelijke puinhoop. Alles en iedereen moest voortdurend bewegen, hetgeen waarschijnlijk regisseur Prinsloos opvatting van “dynamisch” is. Een auditief nadrukkelijk aanwezig gehotseklots op en over het toneel dat behoorlijk ernstig irriterend ging werken. Een lawine van de flauwste (non-verbale) grappen waar operetteverenging “De Jolige Joconde” uit Zaltbommel zich nog voor zou schamen. Daarbij deden de kostuums van de heren vermoeden dat zij zojuist terugkwamen  van een stemmige crematie. Bij het door acht heren ten gehore gebrachte “Ja, das Studium der Weiber ist schwer” kon de regisseur het ook weer niet laten om een aantal niet in het libretto voorkomende dames ten tonele te voeren die de heren er behoorlijk van langs gaven.

Een stukje moderne regie (emancipatie) met een ellenlange baard. Pijnlijk. En of de diplomatenwereld en adel zich in het Parijs van 1900 voornamelijk rond het zwembad bevonden, lijkt mij uiterst onwaarschijnlijk.

Ministry of Silly Walks

Maar het gaat (nog steeds) om de zang, althans in Bad Ischl. Graaf Danilo werd vertolkt door Reinhard Alessandri, die we nog kennen als Augustin Moser (!) in Die Meistersinger von Nürnberg (!) uit 2013 in Amsterdam. Alessandri heeft een kei van een strot, daar niet van; een mooie, krachtige stem, maar is zó GEEN Danilo dat je je afvraagt wie de goede man in hemelsnaam gecast heeft. Deze Danilo miste elke Schmalz, ging Danilo te lijf of het Siegfried was en bewoog als een ambtenaar derde klas van het Ministry of Silly Walks die tijdens de danslessen bij de wals niet goed opgelet heeft. Een ramp.

Schril en tegelijkertijd een life saver was de tegenstelling met Regina Riel, de Hanna Glawari  van dienst, die haar debuut in deze rol maakte. Dit was 100% operette! Hoewel, of juist omdat, Riel ook opera’s “doet”, zette zij een perfecte Witwe neer. Een prachtstem, een overrompelende présence en het mooiste “Viljalied” dat ik ooit gehoord heb, eigenlijk het perfecte “Viljalied”, waarbij zij alle wereldberoemde sopranen die dit nummer ook zo nodig op hun repertoire moeten zetten (kijk mij eens!) ver achter zich liet. Riel was eigenlijk de enige voor wie ik nog bleef zitten –  tot de pauze dan. Want toen was het “Viljalied” in al zijn schoonheid  ( dank, dank Regina Riel) tot mij genomen, en bespaarde ik mij de kwelling om nog een uur Jan Doedel Alessandri te ondergaan.

Tijdens de Witwe-medley neuriede de zaal massaal “Lippen schweigen” mee, en dat was verheugend, nostalgisch en ontroerend (don’t do this at the opera!), en gaf een extra stimulans aan mijn sympathie voor het elegant geklede Oostenrijkse uitgaanspubliek.

Maar daarna was het voor uw recensent, die in dit geval deze naam niet eens verdient, in de woorden van Peter Handke: „Aufstehen und gehen, welch ein Glück!“.

Olivier Keegel (Gepubliceerd op 17/8/2017)

DelenShare on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *