“DER ROSENKAVALIER”

Der Rosenkavalier

Elina Garanca als Octavian en Renée Fleming als Die Marschallin (Foto: Ken Howard/Metropolitan Opera)

Der Rosenkavalier, opera van Richard Srauss op een libretto van Hugo von Hofmannsthal.Gecreëerd in het Königliches Opernhaus in Dresden op 26 januari 1911.  Productie van de Metropolitan Opera te New York, wereldwijd in bioscoopzalen vertoond op 13 mei 2017.

Die Feldmarschallin: Renée Fleming
Octavian: Elina Garanca
Baron Ochs: Günther Groissböck
Sophie: Erin Morley
Herr von Faninal: Markus Brück
Valzacchi: Alan Oke
Annina: Helene Schneiderman

Metropolitan Opera Orchestra & Chorus
Dirigent: Sebastian Weigle
Regie: Robert Carsen

Muzikaal:
Scenisch:

Tolerantie wordt door onze Westerse maatschappij (te) hoog in het vaandel gedragen: de meest voor de borst stotende handelingen en/of weerzinwekkende gedragspatronen moeten wij door een roze bril bekijken en met een glimlach beamen. Meer nog, wie kritiek geeft wordt tot de orde geroepen of krijgt zelfs een boete. Een kind dat een oorvijg krijgt, wordt in de nieuwsrubriek behandeld als wereldschokkend nieuws. Niemand vraagt zich af of het kind misschien geen eikel is die de oorveeg verdiend heeft…
Tolerantie! Wij vragen ons af of de hype zich tot de opera uitgezaaid heeft. Dat is alleszins waar wij aan dachten bij het aanschouwen van het publiek dat als gek applaudisseerde na de opvoering van Der Rosenkavalier in de MET, de voorstelling die het bioscoopseizoen afsloot.

Want zo denderend was die voorstelling in feite niet. Der Rosenkavalier is een opera waar een regisseur “met zijn poten moet afblijven”, de handeling, de tekst en de muziek zijn zo nauw met elkaar verbonden dat je er niet ongestraft aan kunt sleutelen.
Der Rosenkavalier is dan ook lang gespaard gebleven van de zinloze regie-experimenten die ons operafirmament sinds verschillende decennia teisteren. Maar nu is het toch zover. Wij gaan hier al de blunders van Robert Carsen niet opsommen, die des te pijnlijker waren omdat ze in de MET plaatsvonden, een tempel waar opera nog meer beleefd wordt voor de muzikale kwaliteiten dan de visuele (of zo dachten wij toch).

Maar er was meer aan de hand. Er werd niet altijd even mooi gezongen en wij gaan hier geen superlatieven gebruiken voor wie het niet verdient. Het werk heeft enkele sleutelmomenten waarbij je meteen weet of een zanger al dan niet adequaat is voor zijn rol. Als de Marschallin in de eerste akte “Du bist mein Bud, du bist mein Schatz!” zingt en zij glijdt, zoals Renée Fleming, naar de juiste toonhoogte als Clara in “Summertime” (Porgy and Bess), dan weten wij meteen dat er iets aan de hand is.
Het hoeft geen betoog dat Fleming het juiste stemtype heeft voor de Marschallin en het is duidelijk dat zij iets van de gemaniëreerdheid van Elisabeth Schwarzkopf heeft overgenomen. Maar Schwarzkopf deed dat meer beheerst, met een duidelijk tekstbesef en een perfecte intonatie, terwijl Fleming daar in vergelijking een jamboel van maakt.

Voor Sophie is de sleutelpassage “Wie himmlische, nicht irdische Rosen vom Paradies” bij het overhandigen van de zilveren roos in het begin van de tweede akte. Irin Morley deed ons, ook hier, door een onzekere inzet aan Gershwin denken maar haar vertolking was verder bijzonder gaaf.
De meest perfectie interpretatie kregen wij van Elina Garanca, niet enkel vocaal maar ook scenisch. Haar mooie romige mezzosopraan bekoorde in alle registers en zij ging zich niet te buiten aan nodeloze dramatische effecten.

Baron Ochs is hier het grootste slachtoffer van de bespottelijke regie van Carsen. Wij weten dat Ochs een gestampte boer is, maar hij is ook een edelman die de gedragspatronen van zijn tijd kent. Dat hij in de eerste akte ongestoord bij de Marschallin in bed kruipt is een brug te ver. De opera kan een farce of een sentimentele komedie zijn maar zeker geen vulgaire slapstick, geen burleske variétéshow waar Ochs als een olifant door een porseleinwinkel raast. Met zijn lange slanke gestalte miste Günther Groissböck trouwens ook “le physique du rôle”. Hij ziet er gewoonweg te knap uit, in feite geen slechte partij voor Sophie! Vocaal stelde de rol hem voor geen enkel probleem al klinkt zijn basstem naar onze smaak niet smeuïg genoeg en dikte hij de onbeschofte fratsen nodeloos aan.

De kleinere rollen werden doorgaans degelijk bezet en ook het koor was goed op dreef.

Sebastian Weigle kennen wij natuurlijk van de Oper Frankfurt waar hij sinds 2008 Generalmusikdirektor is. Onder zijn leiding speelde het Metropolitan Opera Orchestra bijzonder intens. De wisselende stemmingen werden op haast pretentieloze wijze, maar heel duidelijk uitgedrukt. Frasering en articulatie waren heel fijnzinnig, van ongelooflijk spannend tot soms smeltend lyrisch. Het orkest was de absolute topper van deze voorstelling.

Dat brengt ons terug bij het eindapplaus, de bloemen, het gejuich en het onbeheerst enthousiasme van de toeschouwers. Natuurlijk was dit geen ondermaatse voorstelling, daarvoor staat het ensemble van de MET op een te hoog niveau. Maar het was een door de enscenering fel verminkte Rosenkavalier met een wisselvallige Marschallin en een weinig geloofwaardige Ochs.

Is de operaliefhebber zo afgestompt geraakt dat hij dat niet meer hoort, ziet of aanvoelt? Of hoort en ziet hij het wel, maar stelt hij zich tolerant op?

G.M. (Gepubliceerd op 22/5/2017)

DelenShare on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *