“RHEINGOLD IS THE THOMAS BLONDELLE SHOW”

Das Rheingold

Gerd Grochowski (1956-2017) zong als Wotan de première van deze productie (Foto: Karl & Monika Forster)

Das Rheingold, opera van Richard Wagner (muziek en libretto). Gecreëerd te München op 22 september 1869. Première van deze reeks voorstellingen in het  Hessisches Staatstheater te Wiesbaden op 13 november 2016. Bijgewoonde voorstelling op 23 mei 2017.

Wotan: Thomas Hall
Donner: Benjamin Russell
Froh: Aaron Cawley
Loge: Thomas Blondelle
Alberich: Thomas de Vries
Mime: Matthäus Schmidlechner
Fasolt: Albert Pesendorfer
Fafner: Young Doo Park
Fricka: Margarete Joswig
Freia: Betsy Horne
Erda: Bernadett Fodor
Woglinde: Katharina Konradi
Wellgunde: Marta Wryk
Flosshilde: Silvia Hauer

Hessisches Staatsorchester Wiesbaden
Dirigent: Alexander Joel
Regie: Uwe Eric Laufenberg

Muzikaal:
Scenisch:

Das Rheingold

Gloria Rehm als Woglinde, Marta Wryk als Wellgunde en Thomas de Vries als Alberich ( Foto: Karl & Monika Forster)

Das Rheingold

Margarete Joswig als Fricka (Foto: Karl & Monika Forster)

Das Rheingold

Betsy Horne als Freia (Foto: Karl & Monika Forster)

Das Rheingold

Thomas Blondelle als Loge, Ensemble und Jugendchor (Foto: Karl & Monika Forster)

 

In Wiesbaden vindt van 16 april tot en met 28 mei een Internationaal Mei Festival plaats onder de niet bijster originele titel “Die Welt in Bewegung”.  Vanaf 23 mei tot en met 28 mei voert men een complete Ring uit in een regie van intendant Uwe Eric Laufenberg. Das Rheingold, de ‘Vorabend’ in het verhaal over  Der Ring des Nibelungen, wordt nogal eens ten onrechte ingeschat als een der mindere delen van de Ring.  In ieder geval is het ‘t kortste deel; met zijn twee en een half uur is het een nanoseconde vergeleken met Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung, die van een levensbedreigende lengte zijn.  Das Rheingold is van alle Ring-opera’s  niet alleen de kortste, maar ook de opera met de meeste gebeurtenissen. Op die manier  probeerde Wagner het publiek voor zijn operacyclus te winnen.

Er is een anekdote dat Wagner na een lange wandeling een dutje deed en dat hij in zijn droom wegzonk in een enorme watermassa. Deze ervaring bracht hem tot het beroemde Es-majeur akkoord, waarmee de opera in alsmaar stijgende gebroken akkoorden begint. Het is de muzikale representatie van het ontstaan van het leven zelf, totdat de Rijndochters uitbreken in hun lied van vreugdevolle, ongerepte natuur.
Das Rheingold is niet alleen de hoeksteen waarop de rest van de Ring bouwt, maar is op zichzelf al een muzikaal en dramatisch meesterwerk. Na het beroemde  Es-majeur akkoord, ontvouwt zich een kosmos van mythische proporties. Toen Wagner  het libretto voor Das Rheingold in 1852 schreef, zag hij bewust af van aria’s en duetten. Hiervoor in de plaats kwam het Leidmotief: de melodische of ritmische frase die in verband wordt gebracht met een karakter of een dramatische gebeurtenis.
Das Rheingold introduceert ons in een wereld van dwergen, goden en mensen. Dit begin van de Nibelungen sage zit vol bedrog en geweld. De dwerg Alberich steelt het goud van de Rijndochters, dat hun door Vader Rijn is toevertrouwd. Degene die de liefde afzweert en uit het goud een ring smeedt, verkrijgt de heerschappij over de wereld. (In deze voorstelling kwam het goud in diverse vormen terug, o.m. in een eindeloos gestrooi met (goud) confetti.  Aldus smeedt Alberich een ring die de aanleiding vormt voor een sinistere machtsstrijd. Alberich raakt de ring kwijt door een list van Wotan, de oppergod, en zijn rechterhand Loge, waarna Alberich de ring vervloekt (“Verflucht sei dieser Ring!”). Wotan voelt wel aan dat het toch linke soep is en staat de ring af aan de reuzen Fasolt en Fafner. De vloek  eist meteen zijn tol: de reuzen krijgen ruzie en Fafner slaat zijn broer Fasolt dood. De vloek van de ring heeft zijn eerste slachtoffer gemaakt.

Aan het eind van de opera zorgt de god Donner voor een regenboogbrug die de goden naar het Walhalla zal leiden. De goden, onder leiding van Wotan, betreden enigszins wantrouwend hun nieuwe paleis. Intussen klagen de Rijndochters op de bodem van de Rijn over de schat die hun ontstolen is. Een serie gewelddadigheden is in gang gezet die eindigt met de ondergang van het godenrijk. Maar dan zijn we wel 4 opera’s en 15 uur verder.

Das Rheingold begint in Wiesbaden met een op het doek geprojecteerde film van golvend c.q. borrelend water. De video-opnames komen tijdens de voorstelling nog een aantal keren terug. Ze zijn goed gekozen maar van een nogal lullig formaat; een beetje kneuterig vergeleken bij de muziek waarmee ze een eenheid zouden moeten vormen.
De Rijn is bij regisseur Laufenberg, die ons van alleraardigste plaatjes voorziet, kurkdroog. Geen wonder, want de opera wordt  door Laufenberg in een bedoeïenen-omgeving geplaatst, m.n. in de tweede acte in een bedoeïenentent. Je moet toch wát! Katharina Konradi, Marta Wryk en Silvia Hauer vertolken in weinig aan de verbeelding overlatende strakke kleding de drie Rijndochters. Anatomische poppen 2.0.   Hun strakke outfit is beschilderd met schubben en ze spelen een vrolijk balspelletje. Als ze “sexy” moeten zijn, bedienen ze zich van clichégebaren die regelrecht afkomstig lijken uit David Lean’s Lawrence of Arabia.  De dames zingen uiterst fraai, maar een beetje Mozart-fraai naar mijn idee: ik moest meteen aan het Drei Damen Trio “Triumph! Triumph!” uit Die Zauberflöte denken. Dan sluipt Alberich naderbij, vertolkt door Thomas de Vries, een bariton die oorspronkelijk uit de wereld van de Oude Muziek afkomstig is.  Hij zingt zijn rol met een fraaie, ronde bariton en een grote dosis intelligentie die Alberich als een complexer karakter voorstelt dan gewoonlijk het geval is.
De goden kamperen in een reusachtige tent, waar desalniettemin zo af en toe een Dickens-outfit wordt gedragen. Margarete Joswig is een wat schel klinkende Fricka en de Amerikaan Thomas Hall zet met zijn sonore, donker gekleurde stem een enigszins ééndimensionale Wotan neer. Hall heeft een fraaie stem, maar nogal monotoon en een groot acteur is beslist ook niet aan hem verloren gegaan. Ster van de avond was ongetwijfeld Thomas Blondelle als Loge, die zijn collega’s volkomen wegspeelde. Deze wendbare tenor levert met veel elan en vocale toewijding een Loge van de buitencategorie af. Wat een geweldig acteervermogen in stem en fysiek! Loge Logissimo! Na Blondelle moet onmiddellijk Matthäus Schmidlechner genoemd worden, die met zijn zeer veelzijdige Spieltenor een fantastische Mime is. De bijrollen van de reuzen Fafner en Fasolt waren bij Young Doo Park en Albert Pesendorfer in uitstekende handen en ook Betsy Horne als Freia wist te overtuigen. Zij leidt het einde van de opera in door het gordijn open te klieven, waarachter het Walhalla verschijnt. Een fraaie vondst. Een komische verhuizing volgt, die besloten wordt met een gezellige groepsfoto. Jammer toch weer, dat fotoapparaat met flitslicht, een ellendig cliché van het regietheater.

Over het algemeen goede zangers dus in Wiesbaden, maar het Hessisches Staatsorchester Wiesbaden, waarin het koper zijn dag niet had, onder leiding van Alexander Joel, maakte op mij een nogal obligate indruk. Is het orkest wat aan de kleine kant voor Wagner? Het kan ook aan mijn akoestisch beroerde plaats in de zaal gelegen hebben, uiterst rechts, vlak onder het balkon.  Het Duitse publiek was echter dik tevreden. Welk een onmetelijk genoegen om gewoon te kunnen blijven zitten bij het hartverwarmende slotapplaus en aan het oorlogszuchtige enthousiasme van de Nederlandse staande ovatie te kunnen ontkomen.

Olivier Keegel (Gepubliceerd op 25/5/2017)

DelenShare on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

2 Comments

  1. Otto schreef:

    Prettig leesbare, informatieve recensie. Blondelle vind ik ook altijd een fijne tenor. De in Nederland verplichte en dus niets betekenende “staande ovatie” is inderdaad een vérgaande vorm van snobistische aanstellerij.

  2. Jan de Jong schreef:

    Ach, ieder land heeft zo zijn gewoonten, maar om nu het Nederlandse staande applaudiseren te kwalificeren als oorlogszuchtig (recensie) en aanstellerij (reactie). Ikzelf ervaar het gaan staan eerder als een actief gebaar richting de artiesten.
    In Frankrijk wordt er bij concerten vaak ritmisch geklapt. Dat komt op mij dan weer veel dwingender over: we want more!.

    Overigens voor de goede waarnemer zijn er talrijke variaties zichtbaar in het klapgedrag van het Nederlandse concertpubliek, die het nodige zeggen over de mate van waardering. Ook binnen het staand applaudiseren.

    Overigens ben ik erg blij met het Nederlandse operapubliek. Stel je toch voor dat het er niet was.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *