ZANGERS EN HUN STEMMEN – TENORS, BARITONS EN BASSEN

Placido Domingo, José Carreras en Luciano Pavarotti.

Placido Domingo, José Carreras en Luciano Pavarotti.

Alfred Deller

Alfred Deller

Tito Schipa

Tito Schipa

Enrico Caruso

Enrico Caruso

Jacques Urlus

Jacques Urlus als Parsifal (1914)

Tito Gobbi

Tito Gobbi als Falstaff

Piero Cappuccilli

Piero Cappuccilli

 Feodor Chaliapin

Feodor Chaliapin als Boris Godunov, 1910.

DE TENOR.

Ook de tenoren zijn in verschillende stemsoorten onderverdeeld.

“Countertenor”.  Deze zingt alles in falset, dus met een kopstem die een ‘vrouwelijker’ klinkend soort geluid voortbrengt. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw kwam hij zo goed als niet voor (de astroloog in Rimski-Korssakov’s “Le Coq d’Or” was een van zijn weinige partijen).  Daarna kwam de stem in de mode.  Eerst met Oberon in “A Midsummer Night’s Dream” van Benjamin Britten en meer recent “Tri Sestri” van Peter Eötvös, waar niet minder dan vier countertenors in voorkomen.  Men gebruikt de countertenor nu ook om castraatsopraanpartijen te zingen, maar het timbre wijkt radicaal af van een achttiende-eeuwse castraatstem. Amper vijftig jaar geleden kenden wij enkel Alfred Deller in Engeland en Russell Oberlin in Amerika. Nu zijn countertenors niet meer te tellen: René Jacobs, James Bowman, Paul Esswood, Andreas Scholl, Jochen Kowalski, Dominique Visse, Bejun Mehta.

“Tenore leggiero”.  Een zeer lichte stem, die soms de kracht mist om de hoogste tonen te zingen, tenzij het in falset kan. Rollen voor hem zijn o.a. Nemorino in “L’Elisir d’Amore”, Nadir in “Les Pêcheurs de Perles”, Rossini’s Almaviva in “Il Barbiere di Siviglia” en Lindoro in “L’Italiana in Algeri”, vele tenorpartijen bij Rossini, Donizetti, Bellini en Mozart.  Zangers in dit vak waren o.a. Luigi Fort, Cesare Valletti, Tito Schipa, Nicola Monti, Cristy Solari, Luigi Alva, Nicolai Gedda, Bruce Ford, William Matteuzzi, Raul Gimenez, Rockwell Blake en Chris Merritt hoewel deze in zijn latere carrière naar het zwaardere repertoire geëvolueerd is.
Hedendaags: Juan Diego Florez, John Osborn, Daniel Behle, Michael Spyres.

“Lyrische tenor”.  Hij komt overeen met de lyrische sopraan, en heeft dezelfde grote mogelijkheden. Doorgaans zingt hij ook het repertoire van de tenore leggiero en heeft hij de mogelijkheid op latere leeftijd ook rollen met een meer dramatisch accent te zingen.  Zijn repertoire is het omvangrijkste: Duca di Mantova in “Rigoletto”, Alfredo in “La Traviata”, Faust, Cavaradossi in “Tosca”, Rodolfo in “La Boheme” , Tamino in “Die Zauberflöte”, feitelijk ook al Lohengrin en Walther von Stoltzing in “Die Meistersinger von Nürnberg”, e.a.  Tot dit genre behoorden Beniamino Gigli, Jussi Björling en de jonge Luciano Pavarotti..
Hedendaags: de jonge Roberto Alagna, Rolando Villazon, Klaus Florian Vogt, José Bros, Piotr Beczala, Charles Castronovo.

“Tenore lirico-spinto” of “demi-caractère”.  De overgang naar de dramatische tenor.  In zijn repertoire zijn rollen als Don José in “Carmen”, Calaf in “Turandot”, Andrea Chenier, Max in “Der Freischütz”, Canio in “Pagliacci”.  Mario Del Monaco, Fernand Ansseau, Franco Corelli, Enrico Caruso, Martinelli waren  de meest karakteristieke exponenten. Ook José Carreras, Placido Domingo, en Luciano Pavarotti behoorden tot die categorie.
Hedendaags: José Cura, Marcelo Alvarez, Ramon Vargas, Jonas Kaufmann, Andreas Schager.

“Heldentenor” of “tenore drammatico”.  Ook hier is hetzelfde verschil als bij de dramatische sopranen, alleen omgekeerd evenredig.  Hier is de typische Italiaanse tenore drammatico de ridder der hoge C, met rollen als Manrico in “Il Trovatore”, Radames in “Aida”, en het Franse “fort tenor” vak met de Meyerbeer- en Halévy-helden, en Arnold in “Guillaume Tell”. Hij heeft doorgaans een metalliek geluid als van een trompet of trombone.  De typisch Duitse heldentenor daarentegen grenst dicht aan de bariton.  Hij heeft een donkere stem die bijzonder expressief is.  In vele gevallen is hij zijn carrière als bariton begonnen (Lauritz Melchior, Set Svanholm, Ramon Vinay, Zanelli).  Hij is de ideale Wagnerheld als Tristan, Tannhäuser, Siegmund, Siegfried, terwijl in het Italiaanse repertoire Otello zijn specialiteit is. Voorbeelden van de Italiaanse heldentenor zijn o.a. Lauri-Volpi, Zenatello, Tamagno, Lazaro, De Muro.
Voorbeelden (behalve de vier reeds genoemde ex-baritons) voor de Duitse heldentenor zijn vrijwel alle Wagnertenoren: Jacques Urlus, Max Lorenz, Ludwig Suthaus, Gunther Treptow, Marcel Vercammen, Siegfried Jerusalem.
Hedendaags: , Gary Lakes, Wolfgang Schmidt, Ben Heppner, Torsten Kerl, Stefan Vinke, Christopher Ventris, Stuart Skelton, Frank van Aken.

“Tenore buffo”.  Merkwaardig is het dat men geen uitgesproken vrouwelijke buffo-stemmen kent, of men zou ze moeten zoeken onder de soubrettes en onder de karakteralten.  Alle mannelijke stemsoorten hebben echter een speciale komische onderafdeling.  De buffo-tenor is verwant aan de tenore leggiero.  Hij heeft een lichte, buigzame maar doordringende, heldere stem en moet een goed ontwikkeld falsetregister hebben.  Buffo-tenorrollen zijn o.a. Mime in “Der Ring des Nibelungen”, David in “Die Meistersinger von Nürnberg, Don Basilio in Mozart’s “Le Nozze di Figaro”, Jacquino in “Fidelio’, Dr. Cajus in “Falstaff”, Goro in “Madama Butterfly”.  Men onderscheidt nog lyrische en karakter-buffo’s.  Daar hun repertoire niet bijzonder groot is, zingen vele buffo-tenoren tevens zgn. comprimario-rollen.  Beroemde buffo-tenoren zijn en waren Giuseppe Nessi, Gino Del Signore, Julius Lieban, Erich Zimmermann, Waldemar Henke, René Hérent, Angelo Bada, Graham
De Franse titel voor deze stemsoort is “trial”, naar de zanger Antoine Trial.
Voorbeelden: Graham Clark, Heinz Zednik, Helmut Pampuch en de jonge Koen Crucke.

 

DE BARITON EN DE BAS.

De benaming “bariton” is nog geen eeuw oud.  Feitelijk zijn baritons hoge bassen.

“Baryton-Martin”.  Deze is de “mezzosopraan” onder de mannen en zou feitelijk mezzotenor kunnen heten.  Men treft hem vrijwel uitsluitend in het Franse repertoire aan.  Hij heeft het klankkarakter van een donker getinte tenor, maar mist diens hoge tonen.  In Frankrijk worden traditioneel alle operettehelden door deze stemsoort gezongen.  In de opera zingt hij Pelléas, Henri Rabaud’s “Marouf” (vandaar dat deze rollen afwisselend zowel door tenoren als baritons gezongen kunnen worden).  Beroemde barytons-Martin waren André Baugé, Armand Crabbé, Charles Panzéra, Pierre Bernac (die echter nooit opera zong), Jean Périer.

“Lyrische bariton”.  Het equivalent van de lyrische sopraan en tenor, en dus de meest voorkomende zanger met het grootste repertoire (Wolfram in Tannhäuser”, Figaro, Valentin in “Faust”, Malatesta in “Don Pasquale” e.a.). Exponenten waren Heinrich Schlusnus, Giuseppe De Luca, Gilbert Dubuc, Tito Gobbi, Paolo Gorin.
Hedendaags: Thomas Hampson, Bo Skovhus, de jonge Simon Keenlyside, Pietro Spagnoli.

“Baritono brillante” of “Spielbariton”.  De buffo onder de baritons.  Rollen zijn Papageno in “Die Zauberflöte”, Beckmesser in “Die Meistersinger von Nürnberg”, Fra Melitone in “La Forza del Destino”, Dandini in “La Cenerentola”, Gianni Schicchi, e.a.  Vele van hun rollen worden ook door buffo-bassen gezongen.  De typische baritono brillante heeft echter een lichte, heldere en doordringende stem (net als zijn tenorale collega), van een geheel ander gehalte dan de buffo-bas.  De koster in “Tosca” is eveneens een baritono brillante.
Exponenten: Ernesto Badini, Saturno Meletti, Hermann Wiedemann, Erich Kunz, Hermann Prey.  In vele gevallen zingen zij tevens een deel van het lyrische repertoire, vooral in hun jongere jaren.
Hedendaags: Dale Duesing, Simon Keenlyside, Stéphane Degout.

“Heldenbariton”.  Een zware brede stem, meestal donker gekleurd.  Hij zingt de Wagnerrollen als Hans Sachs, Wotan, Kurwenal, Holländer, verder Scarpia in “Tosca”, Amonasro in “Aida”, Rigoletto (die men echter ook lyrisch kan bezetten), de Hogepriester in “Samson et Dalila”.
Exponenten: Friedrich Schorr, Benvenuto Franci, Ettore Bastianini, Giangiacomo Guelfi, Luigi Rossi Morelli, Rudolf Bockelmann, Caspar Broecheler, Piero Cappuccilli, Renato Bruson, Leo Nucci, Bernd Weikl.
Hedendaags: Ludovic Tézier, Zjeljko Lucic, Dmitri Chvorostovski.

“Bas-bariton”.  De overgang naar de bas.  Deze rollen kunnen zowel door hogere bassen als door heldenbaritons gezongen worden: Escamillo in “Carmen”, Mephistopheles in “Faust” van Charles Gounod, Capulet in “Roméo et Juliette”, St. Bris in “Les Huguenots”, Nilakantha in “Lakmé”, wederom Wotan, Hans Sachs.  In Frankrijk spreekt men van een “basse chantante”.  Exponenten: in Nederland was Siemen Jongsma een typische bas-bariton.  Verder: Hans Hotter, Marcel Tournet, Delmas, Paul Cabanel, Michael Bohnen, André Pernet, John Tomlinson, Donald McIntyre, Knut Skram, Falk Struckmann, James Morris, José van Dam.
Hedendaags: Bryn Terfel, Michael Volle, Erwin Schrott, Iain Paterson.

“Bas” of “basse noble”.  De eigenlijke bas, met rollen als Ramfis in “Aida”, Sparafucile in “Rigoletto”, Koning Philips in “Don Carlo”, Rocco in “Fidelio”, Sarastro in “Die Zauberflöte”, Hagen in “Götterdämmerung”, Osmin in “Die Entführung aus dem Serail”, Mefistofele, Marcel in “Les Huguenots”, e.a.  Zangers in dit vak: Arnold van Mill, Ezio Pinza, Tancredi Pasero, Boris Christoff, Feodor Chaliapin, Giulio Neri, Germain Ghislain, Louis Hendrikx, Gottlob Frick, Samuel Ramey.
Hedendaags: , Matti Salminen, René Pape, Mikhail Petrenko, Kwanchul Youn.

“Buffo-bas”.  Feitelijk is dit een onderdeel van de vorige indeling.  Luigi Lablache zong beide vakken, evenals Ezio Pinza en Arnold van Mill.  Er wordt echter ook in gespecialiseerd.  Het repertoire omvat o.a. de beide Dr. Bartolo’s in “Le Nozze di Figaro” en “Il Barbiere di Sivilglia”, Dulcamara in “L’Elisir d’Amore”, Don Pasquale, Leporello in “Don Giovanni”, Van Bett in “Zar und Zimmermann”, Don Alfonso in “Cosi fan tutte” enz.
Exponenten: Eduard Kandl, Salvatore Baccaloni, Fernando Corena, Carlo Badioli, August Griebel, Jozsef Gregor.
Hedendaags: Alessandro Corbelli, Bruno Pratico.

 

Deze bladzijden werden grotendeels ontleend aan “Elseviers Groot Operaboek” van Leo Riemens. (Uitgave van 1959)

Lees ook: “Zangers en hun stemmen – sopranen, mezzosopranen en alten”

DelenShare on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone