ZANGERS EN HUN STEMMEN – SOPRANEN, MEZZOSOPRANEN EN ALTEN

Die Walküre

Die Walküre – Achteraan Deborah Voigt als Brünnhilde (Foto: Metropolitan Opera)

De diverse soorten van de menselijke stem laten zich goed vergelijken met de strijkinstrumenten,  viool,  altviool, cello en bas.  De viool komt overeen met de sopraan, de altviool met de alt (ze hebben zelfs de namen gemeen), de cello met de tenor, en de bas (ook al weer een naamgenoot) met de basstem.

De menselijke stem is echter het meest persoonlijke van alle instrumenten omdat de bespeler zelf zijn eigen instrument is.  Geen mens is gelijk aan een ander en dus bestaan er ook geen twee stemmen die precies identiek zijn.  Mensen kunnen wel in groepen ingedeeld worden: naar nationaliteit, naar ras, naar karakter.  Zo deelde men ook de stemmen in, gelukkig nooit naar nationaliteit of ras, maar wel naar omvang en karakter.
De omvang is niet het enige waardoor een stem tot een bepaalde categorie  behoort.  Van belang is vooral de klankkleur, het timbre.  In het bepalen van de meer subtiele nuances kan ook de persoonlijkheid van de zanger van invloed zijn.  Een zanger kan van nature het materiaal hebben voor een dramatische stemsoort: een heldentenor bijvoorbeeld.  Een ander zal van nature meer naar een  lyrische rol neigen. De vier fundamentele stemsoorten kennen ieder talloze varianten.

 

Rosa Ponselle

Rosa Ponselle (1897-1981) als Leonore in “Il Trovatore” in de Metropolitan Opera New York.

Renata Tebaldi en Maria Callas

Renata Tebaldi en Maria Callas – de twee diva’s van het vinyltijdperk.

Birgit Nilsson

Birgit Nilsson als Turandot

Elisabeth Schwarzkopf

Elisabeth Schwarzkopf

Christa Ludwig

Christa Ludwig als Eboli in Don Carlo te Salzburg

Marilyn Horne

Marilyn Horne

DE SOPRAAN

De “Soprano acuto sfogato” wordt vaak ten onrechte gelijkgesteld met de coloratuursopraan.  Ten onrechte, omdat “coloratuur” niets over de hoedanigheid der stem zegt, maar alleen maar wil zeggen dat de zangeres rollen met veel coloratuurpassages pleegt te zingen.  In de achttiende en begin negentiende eeuw was echter iedere zangeres en ook iedere zanger een coloratuur.  De zogenaamde “coloratuursopraan” is de hoogste vrouwenstem, die in staat moet zijn de drie-gestreepte F van Mozarts Koningin der Nacht te zingen.  Dit is de meest karakteristieke rol.  Andere zijn o.a. de Koningin in “Les Huguenots”, de Koningin in “Le Coq d’Or”, maar ook vele rollen die tevens door de “soprano leggiero” gezongen worden, als Gilda  in “Rigoletto”, Lucia in “Lucia di Lammermoor”, Philine in “Mignon”, Lakmé, Zerbinetta in “Ariadne auf Naxos”, Amina in “La Sonnambula”, enz.  De grenzen tussen de onderverdeelde stemsoorten zijn vaag en lopen vloeiend in elkaar over.  Tot de karakteristieke zangeressen in deze groep behoorden o.m. Erna Sack en Mado Robin.
Hedendaags: Diana Damrau, Natalie Dessay, Sumi Jo.

“Soprano leggiero”.  Ook haar noemt men in de wandeling wel coloratuurzangeres, maar zij hoeft niet hoger te gaan dan de driegestreepte E en is over het algemeen warmer van klank, charmanter van expressie dan haar koelere en zeldzamere “grote zuster”.  Zij  zingt rollen als Gilda, Lucia, Ophelie in “Hamlet” van Ambroise Thomas, Lakmé, Amina in “La Sonnambula”, Leila in “Les Pêcheurs de Perles”, enz.  De meeste grote diva’s behoorden tot deze groep: Amelita Galli-Curci, Toti Dal Monte, Wilma Lipp, Erna Berger, Lily Pons, Clara Clairbert, Erna Spoorenberg, Rita Streich, Mady Mesplé, Joan Sutherland,  Edita Gruberova, June Anderson, Barbara Bonney.
Hedendaags: Diana Damrau, Natalie Dessay, Patricia Petibon, Nino Machaidze.

“Soprano lirico leggiero”.  In Duitsland noemt men deze de coloratuursoubrette.  Haar fundamentele rollen zijn Blondchen in “Die Entführung aus dem Serail”, Adèle in “Die Fledermaus” en feitelijk ook Strauss’ Zerbinetta in “Ariadne auf Naxos”.  Aan haar verwant is de gewone soubrette, die rollen zingt als Mozarts Despina in “Cosi fan tutte”, Susanna in “Le Nozze di Figaro”, Papagena in “Die Zauberflöte”, Beethovens Marzellina in “Fidelio”, verder Norina in “Don Pasquale”, Adina in “L’Elisir d’Amore”, de meeste pagerollen als die in “Un Ballo in Maschera”, “Les Huguenots”, enz.  Typische soubrettes waren o.a. Louise de Vries, Adèle Kern, Elisabeth Schumann, Erna Berger aan het begin van haar carrière, Renate Holm, Anneliese Rothenberger, Leontina Vaduva, Danièle Perriers.
Hedendaags: Elena Mosuc, Marlis Petersen, Patrizia Ciofi, Jessica Pratt, Alexandrina Pendatchanska, de jonge Anna Netrebko.

“Soprano lirico”.  Dit is de “spil” der sopranen, de meest veelzijdige, die desnoods ook lichtere rollen op haar repertoire kan nemen, maar ook, als zij dramatisch uit de voeten kan, zwaardere rollen kan zingen.  De kern van haar repertoire vormen rollen als Mimi in “La Boheme”, Madama Butterfly, Desdemona in “Otello”, Pamina in “Die Zauberflöte”, Liu in “Turandot”, Suzel in “L’Amico Fritz”, Suor Angelica, Agathe in “Der Freischütz”, Elsa in “Lohengrin”, Marguerite in “Faust”, Juliette in “Roméo et Juliette”, Freia in “Das Rheingold”, Gutrune in “Götterdämmerung”.  Het is opvallend hoe vrijwel al deze rollen passief van karakter zijn.  Puur lyrische sopranen (voor zover een stem in een bepaald hokje geperst kan worden) waren o.a. Victoria de los Angeles, Rosanna Carteri, Grace Moore, Rosetta Pampanini, Licia Albanese, Irmgard Seefried, Lisa della Casa, Lucia Popp, Gundua Janowitz, Lucrezia Bori, Cheryl Studer, Kiri te Kanawa, Mirella Freni.
Hedendaags:, Renée Fleming,  Angela Denoke, Angela Gheorghiou, Kristine Opolais, Anna Netrebko.

“Soprano lirico spinto” (in Duitsland Jugendlich-dramatische, in Frankrijk demi-caractère).  Deze vormt de overgang van de lyrische sopraan naar de dramatische.  Feitelijk is zij een lyrische sopraan met een dramatische inslag en een feller temperament.  De meeste rollen zijn in het moderner repertoire: dat der Italiaanse veristen (Tosca, Santuzza in “Cavalleria Rusticana”, Adriana Lecouvreur, Maddalena de Coigny in “Andrea Chenier”), bij Wagner (Sieglinde in “Die Walküre”, Elisabeth in Tannhäuser”) en latere Duitse opera’s (Martha in “Tiefland”, de Keizerin in “Die Frau ohne Schatten”, Chrysothemis in “Elektra”, Mona Lisa, enz.).  Tot deze groep behoorden Gré Brouwenstijn, Renata Tebaldi, Elisabeth Rethberg, Tiana Lemnitz, Catherine Malfitano, Renata Scotto, Montserrat Caballé.
Hedendaags: Camilla Nylund, Nadja Michael, Anna Caterina Antonacci, Anja Harteros, Barbara Frittoli.

“Soprano drammatico“.  Er is een nuanceverschil tussen de Italiaanse dramatische sopraan en de Duitse hochdramatische sopraan.  De eerste is donkerder van klank, hoewel zij in staat moet zijn een stralende hoge C te zingen.  Tot haar rollen behoren o.a. Aida, Norma, La Gioconda, de Verdi Leonora’s, en bepaalde rollen uit de vorige groep (Tosca, Santuzza).  De Duitse Hochdramatische is helderder en doordringender van klank.  Zij zingt o.a. de Brünnhildes in “Der Ring des Nibelungen”, Isolde in “Tristan und Isolde”, Fidelio, Rezia in “Oberon”, Kundry in “Parsifal”, Elektra, Salome.
Italiaanse dramatische sopranen waren o.a. Maria Callas, Rosa Ponselle, Anita Cerquetti, Leontyne Price, Jessye Norman, Sharon Sweet.
Hedendaags: Michele Crider, Kristin Lewis,  Deborah Voight, Adrianne Pieczonka.
Duitse dramatische sopranen waren o.a. Kirsten Flagstad, Frida Leider, Martha Mödl, Astrid Varnay, Birgit Nilsson, Gwyneth Jones, Deborah Polaski, Luana Devol, Gabriele Schnaut, Eva Marton.
Hedendaags: Catherine Foster, Nina Stemme, Violeta Urmana.
De Franse dramatische sopraan heet Falcon, naar de zangeres Cornélie Falcon (1812-1897).  Het is een Frans gebruik om stemsoorten te noemen naar de eerste karakteristieke exponent daarvan.  Haar type houdt het midden tussen de soprano drammatico en de Hochdramatische.  Tot haar karakteristieke rollen behoren Sélika in “L’Africaine”, Rachel in “La Juive”, enz.  Beroemde zangeressen in deze groep waren o.a. Marjorie Lawrence, Huberte Vécray, Régine Crespin.
Ten slotte is er nog een soort sopraan die men speciaal in Duitsland een “Zwischenfach Sängerin” noemt.  Zij heeft geen bepaald stemtype, maar een omvangrijke stem die een groot aanpassingsvermogen heeft.  Meestal is zij een bijzonder goede actrice, zodat zij zich specialiseert in de rollen die een meer dan normaal speeltalent vereisen, in welk stemvak dan ook. De  Zwischenfach Sängerin  zingt zowel Salome als Carmen, Octavian in “Der Rosenkavalier” als Tosca.  Voorbeelden waren o.a. Carmen Melis, Maria Jeritza, Marie Gutheil-Schoder, Inge Borkh, Maria Labia.

Tussen al deze soorten sopraanstemmen heerst een levendig migratie. Ten eerste bestaat altijd de mogelijkheid dat een stem in de loop der jaren zwaarder of lichter wordt en van karakter verandert.  De zwaardramatische sopraan Kirsten Flagstad begon haar carrière als een soubrette, zong daarna lyrische rollen, en kwam pas na haar veertigste jaar via de lirico-spinto partijen in het Duitse hoogdramatische vak terecht.  Er zijn ook geen vaste grenzen tussen de rollen en/of de vakken.  Zo kan een coloratuursopraan soms bepaalde lyrische rollen zingen (Frieda Hempel zong zelfs Elsa in “Lohengrin” en Evchen in “Die Meistersinger von Nürnberg”).  Bepaalde lyrische stemmen kunnen bepaalde dramatische rollen zingen, enz.  Iedere stem is individueel en heeft weer zijn eigen specifieke mogelijkheden.

DE MEZZOSOPRAAN EN DE ALT

Zo is ook de overgang naar de alten gradueel.  Het is typerend dat men de hoge alten (overigens ten onrechte) mezzosopranen noemt.
“Dugazon”. Dit is de lichtste altsoort.  In feite is het een iets donker gekleurde soubrette, en in vele landen rekent men haar tot de sopranen.
Voorbeeld: Cecilia Bartoli en Anne Sofie von Otter.
Hierop volgt de “Galli-Marié”, genoemd naar de creatrice van Carmen en Mignon, een stemtype dat iets zwaarder is.  Het verschil is echter slechts een nuance.  Toch zal de uitgesproken Dugazon onmogelijk een Carmen of Charlotte in “Werther” kunnen zingen, wel weer een Mignon.  Cora Canne Meyer was een uitgesproken lichte Galli-Marié, feitelijk een Dugazon (Carmen behoorde tot haar mogelijkheden, Charlotte viel er juist buiten).

De “lyrische coloratuuralt”.  Dit vak was bijna een eeuw lang in onbruik geraakt, daar er geen nieuwe rollen voor geschreven werden.  De altrollen in Rossini’s opera’s vallen er onder, maar het vak is nu vermengd met de Galli-Marié en de mezzosopraan.
Hedendaags: Cecilia Bartoli, Sonia Ganassi, Joyce DiDonato.

“Mezzosopraan”.  Dit is de lichtere alt, die minder donker gekleurd is, en desnoods ook bepaalde dramatische sopraanrollen kan zingen.  Een typisch voorbeeld was Ebe Stignani, terwijl ook Giulietta Simionato meer mezzosopraan dan een volle alt was.
Hedendaags: Susan Graham, Waltraud Meier, Dolora Zajick, Sarah Connolly, Elina Garanca.

“Alt”.  Dit is de zangeres die rollen als Azucena in “Il Trovatore”, Ulrica in “Un Ballo in Maschera”, Dalila in “Samson et Dalila”, enz. zingt, donkerder gekleurd dan de mezzosopraan, maar toch met een behoorlijk ontwikkelde hoogte (Verdi schrijft voor Azucena zelfs een twee gestreepte C voor).
Voorbeelden:  Rita Gorr, Helen Watts, Violeta Urmana, Margarita Gritskova.

“Contralto”.  Zeer zeldzaam, en in de opera weinig voorkomend.  Dame Clara Butt was een uitgesproken contralto.  Zij hebben een kortere stemomvang dan hun altcollega’s, en een beperkt repertoire: Erda in “Der Ring des Nibelungen”, bepaalde castraatrollen bij Händel en Gluck.
Voorbeelden: Kathleen Ferrier, Huguette Tourangeau, Marilyn Horne, Daniela Barcellona.

Deze bladzijden werden grotendeels ontleend aan “Elseviers Groot Operaboek” van Leo Riemens. (Uitgave van 1959)

Lees ook: “Zangers en hun stemmen – tenors, baritons en bassen”

DelenShare on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone