OPERA GAZET

RECENSIES

OPERAVOORSTELLINGEN IN LUIK

“L’OFFICIER DE FORTUNE”

Opéra Royal de WallonieLyrisch drama in proza in drie bedrijven van André-Modeste Grétry op een libretto van Edmond Guillaume François de Favières. We zagen op 20 oktober 2012 een semi-concertante opvoering door de Opéra Royal de Wallonie in het Théâtre Royal de Liège die meteen de wereldpremière betekende voor het werk.

André-Modeste Grétry - standbeeld voor de Luikse operaSinds het begin van het seizoen is de Opéra Royal de Wallonie teruggekeerd naar het operatheater in het centrum van Luik nadat de vorige seizoenen zich afspeelden in een tent met de ronkende naam “Palais Opéra Liège”. Het theater werd ondertussen vernieuwd. De bezoekersruimten en de buitenkant werden in een witte kleur geverfd wat een beetje klinisch aandoet. De gangen blijven wat claustrofobisch. Het auditorium zelf werd fraai gerenoveerd waarbij het vooral opvalt dat de stoelen op de benedenverdieping anders geplaatst werden. Door het verdwijnen van de middengang konden allicht wat extra plaatsen gecreëerd worden. De roodvloeren zetels werden op het parterre ook vervangen door modernere, comfortabelere exemplaren.

Verwacht werd dat het theater zou heropenen met een opera van Grétry. Niet alleen is hij de bekendste componist die in de stad Luik geboren werd, in 2013 wordt zijn tweehonderdste sterfdag gevierd. Intendant Stefano Mazzonis di Pralafera had echter een verrassing uit zijn hoed getoverd: met “Stradella” had hij de wereldpremière van een opera van een andere Luikenaar, César Franck, op de affiche gezet. Dat Franck, net als Grétry later tot Fransman genaturaliseerd, ook afkomstig is uit Luik is immers een feit dat nogal eens over het hoofd gezien wordt.

Dirigent Patrick DavinUiteraard kan Grétry, wiens standbeeld het plein voor de opera siert, rekenen op eerherstel tijdens het verdere verloop van het seizoen 2012/13. In afwachting van een volledig scènische productie van zijn opera “Guillaume Tell” in juni 2013 stond op 20 oktober een eenmalige, semi-concertante uitvoering van “L’officier de fortune” op het programma. Net als bij “Stradella” ging het om een wereldpremière. De opera, geschreven in de periode 1790-91, was al die jaren verborgen in een schuif in het “Musée Gretry” te Luik. Pas met het op orde stellen van de aldaar gelegen bibliotheek met het oog op de festiviteiten tijdens het jaar 2013, kwam de partituur boven water. De meest voor de hand liggende hypothese waarom het werk na de compositie nooit opgevoerd werd was de gewijzigde politieke situatie in Europa: vanaf 1791 was Frankrijk in oorlog met Oostenrijk. Een verhaal waarbij een soldaat zijn vaderlandse plichten laat staan om zijn geliefde te kunnen huwen zou in die situatie zeker niet hebben aangeslaan.

We vonden de partituur van Grétry erg licht maar weinig sprankelend. De eenvoudige orkestratie en de wat primitieve melodieën vormen een aangename vorm van licht vertier maar blijven niet echt bij. De aria’s zijn eveneens weinig veeleisend, noch wat betreft de techniek van de zangers, noch wat betreft hun dramatische zeggingskracht. Dirigent Patrick Davin liet zijn orkest spelen met veel “Schwung” en koos voortdurend voor een hoog tempo.

De meestal onbekende solisten die “L’officier de fortune” brachten, zorgden alleszins voor een boeiende, verstrooiende voorstelling. Vooral dankzij het werk van Vincent Dujardin, verantwoordelijk voor de aanpassing van de teksten en de “enscenering” werd de aandacht van het publiek vastgehouden. Uitgangspunt was dat een verteller de verschillende aria’s en ensembles aan elkaar praatte, wat zeker een betere optie was dan het laten uitvoeren van de volledige recitatieven.

Al bij al een prettige kennismaking met een onbekend werk van een meestal verwaarloosde componist. Toch hopen we dat we binnen enkele maanden met “Guillaume Tell” een andere kant van Grétry zullen horen. Maar het publiek lustte er wel pap van, getuige de ovatie en de twee bisnummers aan het einde van de voorstelling.

H.D. (Gepubliceerd op 21 oktober 2012)

Foto's van boven naar onder:

1) André-Modeste Grétry - standbeeld voor de Luikse opera.
2) Dirigent Patrick Davin.

TERUG NAAR KEUZELIJST BELGIË

“THESEE”

Opéra Royal de WallonieTragédie lyrique van François-Joseph Gossec op een libretto van Philippe Quinault, bewerkt door Etienne Morel de Chédeville en gecreëerd in het Palais Garnier te Parijs op 1 maart 1782. Bijgewoonde concertante uitvoering in samenwerking met de Opéra Royal de Wallonie in de Salle Philharmonique de Liège op 11 november 2012.

Jennifer BorghiFrançois-Joseph Gossec werd geboren in een dorpje in Henegouwen in 1734, maar vond roem in Parijs, eerst onder het aristocratische regime, maar na de revolutie van 1789 ook onder het republikeinse bewind.

Zijn eerste groot succes oogstte hij op 26-jarige leeftijd, toen in 1760 in de Parijse Jacobijnerkerk door 200 muzikanten en al evenveel koristen zijn “Grande Messe des Morts” werd gecreëerd. Het werk bleef een kwarteeuw op het repertoire en werd overal gunstig onthaald.

Zijn tragédie lyrique “Thésée” dateert van twintig jaar later, maar reflecteert nog steeds zijn neiging naar het bombastische. De ouverture bracht ons meteen naar het puntje van onze stoel, zo stoer was de inzet van deze opera, met verrassende harmonieën, meeslepende en melodieuze klankuitbarstingen. Frédéric AntounMaar wij zakten al even vlug naar de comfortabele rugleuning van onze zetel. Twee akten lang bleven deze heldhaftige ritmes doorgalmen, iets te veel van het goede. Bovendien was de inzet van de twee vrouwelijks hoofdrollen, de Franse sopraan Virginie Pochon als Eglé en de Italo-Amerikaanse mezzosopraan Jennifer Borghi als Médée weinig bekorend. De stemmen klonken ons te luid, ook vaak te scherp en wij stelden ons de vraag of de goede, maar tamelijk harde akoestiek van de zaal daar mee verantwoordelijk voor was?

Na de pauze, kregen wij als het ware een andere opera te horen, zo bedaard was het verloop van de derde akte, met een lange duo tussen Eglé en Médée, waarbij de stemmen veel mooier klonken. Ook de Canadese tenor Frédéric Antoun als Thésée maakte hier een gunstige indruk. De vierde akte en vooral de uitbundige finale werden terug heldhaftig, waarbij de baryton Tassis Christoyannis met veel gezag alle registers kon opentrekken. Hij klonk als een klok en kwam zegevierend boven de ensembles uit. Als geboren Griek in de rol van een Griekse koning die de opera tot een goed einde brengt, gunden wij hem graag deze krachttoer.

De vele kleine rollen werden verdienstelijk bezet met vooral de sopraan Katia Velletaz als een mooie Minerve/Coryphée.

Het Choeur de Chambre de Namur zong zoals gebruikelijk zeer gedisciplineerd en slagvaardig, terwijl het orkest “Les Agrémens”, onder de bijzonder dynamische leiding van Guy Van Waas, zorgde voor een vlekkeloze begeleiding.

Er is nog een voorstelling in de Salle d’Opéra van het Kasteel van Versailles op 13 november 2012.

Met dezelfde bezetting werd een cd-opname gemaakt die zal verschijnen op het label Palazetto Bru Zane.

G.M. (Gepubliceerd op 13/11/2012)

TERUG NAAR KEUZELIJST BELGIË

"LA BELLE HELENE"

Opéra Royal de WallonieOpéra-bouffe in drie bedrijven van Jacques Offenbach op een tekst van Henri Meilhac en Ludovic Halévy. De creatie vond plaats in the Théâtre des Variétés te Parijs op 17 december 1864. We woonden op 23 december een voorstelling bij in de Luikse Opera.

La belle Hélène - Florian Laconi als Paris en Alexise Yerna als Hélène (Foto: Jacques Croisier)Het is ondertussen al een traditie geworden: in de eindejaarsperiode voert de Opéra Royal de Wallonie steevast een operette op. Soms gaat het om een anderstalige compositie in een Franse vertaling maar dit jaar werd met “La belle Hélène” gelukkig gekozen voor een door en door Frans werk. Het betreft één van de betere werken van Offenbach en meteen ook een van zijn grootste successen met een aantal melodieën die ook nadien nog in het hoofd van menig toeschouwer blijft spelen.

Het Franse regisseursduo Corinne en Gilles Benizio koos ervoor om een soort “authentieke” versie van “La belle Hélène” te brengen. Zo werd teruggegrepen op de oorspronkelijke versie van het libretto waarbij de zang veel meer afgewisseld wordt met dialogen. Voor de rollen van Ménélas, Calchas en Ajax I werden geen operazangers gecast maar wel zingende acteurs. De scène van het ganzenspel dat normaal gesproken weggeknipt wordt, werd in Luik wel gespeeld. Het resultaat was een opvoering die inclusief pauze ruim langer dan drie uur duurde en die, mede door de uitgebreide dialogen, bij aanvang wat moeilijk van de grond kwam. Maar het gevoel voor humor van het regieteam maakte dit ruimschoots goed en na een half uurtje was de voorstelling goed op gang.

Corinne en Gilles Benizio, in Frankrijk bekend als Shirley en Dino, kozen voor een verademend klassieke aanpak. De decorstukken bestonden uit kitscherige beschilderde panelen en waren in felle kleuren uitgevoerd. Samen met het al hevige kleurenpallet van de kostuums werd een soort oude Griekse stripwereld gecreëerd, een idee dat ons perfect lijkt aan te sluiten bij de stijl van het werk. Uiteraard ontbraken ook een aantal komische elementen niet. Zo was Orestes een anachronisme als “hardrocker” en werd de dode tijd tijdens de decorwisseling handig overbrugd door de solisten die voor het gesloten doek onder andere een hilarische interpretatie van “mnah-mnah” (in het Frans: “mais non, mais non”) ten beste gaven.

La belle Hélène - solisten en koor (Foto: Jacques Croisier)Uiteraard mogen we bij al dat visuele geweld het muzikale niet vergeten. En ook dat was, zoals gebruikelijk in de ORW, meer dan behoorlijk. Alexise Yerna, die na een paar jaar afwezigheid opnieuw de weg naar Luik gevonden lijkt te hebben, is perfect als Hélène. Niet enkel de looks maar ook de stem zijn de rol op het lijf geschreven. Ook Florian Laconi, nochtans meestal actief in een heel ander repertoire, gaf een vocaal gave, zij het scenisch wat bescheidener interpretatie van Paris, de man die Hélène komt stelen en zo de Trojaanse oorlog veroorzaakt. Mooi ook was onze landgenoot Sébastien Romignon-Ercolini als een elegant fraserende Achilles. De andere solisten waren hoofdzakelijk acteurs die voor de komische noot zorgden en waarbij Denis d’Arcangelo in een dubbelrol de kroon spande.

Dirigent Cyril Englebert wist met het orkest van de Opéra Royal de Wallonie de vaart goed in de voorstelling te houden.

We genoten met volle teugen van deze schitterende operette in een al even sprankelende uitvoering door de Waalse Opera. Tot en met 31 december wordt “La belle Hélène” dagelijks opgevoerd in Luik en op 6 januari 2013 is er nog een voorstelling in Charleroi. Een aanrader!

H.D. (Gepubliceerd op 25 december 2012)

Foto's van boven naar onder:

1) Florian Laconi als Paris en Alexise Yerna als Hélène (Foto: Jacques Croisier)
2) La belle Hélène - solisten en koor.

Copyright foto's © Jacques Croisier.

TERUG NAAR KEUZELIJST BELGIË

“L’ITALIANA IN ALGERI”

Opéra Royal de WallonieDrama giocosa in twee bedrijven van Gioacchino Rossini op een libretto van Angelo Anelli, oorspronkelijk geschreven voor de gelijknamige opera van Luigi Mosca. De eerste uitvoering had plaats in het Teatro San Benedetto te Venetië op 22 mei 1813. We zagen op 24 januari 2013 een opvoering door de Opéra Royal de Wallonie in het Théâtre Royal te Luik.

L’Italiana in Algeri - Carlo Lepore als Mustafà) en Mario Cassi als Taddeo. (Foto : Jacques Croisier)Rossini schreef “L’Italiana in Algeri” enkele maanden nadat hij zijn eerste grote triomf vierde met de opera seria “Tancredi”. Vergeleken met de andere bekende komische werken van de componist die vandaag nog uitgevoerd worden, met name “La Cenerentola” en “Il barbiere di Siviglia” sluit “L’Italiana” met zijn heerlijk burleske karakters en typische buffo-rollen nog erg dicht aan bij de talrijke farsen die Rossini aan het begin van zijn carrière schreef. De opera mist de subtiliteiten van de andere genoemde titels maar biedt muzikaal en scenisch een ongebreidelde partij plezier voor het publiek. Bovendien biedt de titelrol aan de vertolkster meer dan ooit de kans om te schitteren in niet minder dan drie prachtige aria’s.

De Luikse Opera had voor de titelrol van deze nieuwe productie één van de beste Italiaanse Rossini mezzo’s geëngageerd. Helaas moest Marianna Pizzolato na het belcantoconcert in Antwerpen en Gent ook in Luik afzeggen. Laten we hopen dat met de sympathieke zangeres niets ernstigs aan de hand is. Ze werd hoe dan ook meer dan waardig vervangen door de Albanese Enkelejda Shkosa. Zij mist misschien wat van het Rossiniaanse raffinement dat Pizzolato te bieden heeft en speelt soms wat te veel op vocale effecten, maar daar staat tegenover dat ze als personage uiterst geloofwaardig uit de verf komt. Ook de basbariton Carlo Lepore als Mustafa is niet de meest subtiele zanger, maar hij is in staat om elke noot en elke versiering in de partituur te zingen en dat is al heel wat. Bovendien heeft zijn stem een uitgesproken warm karakter wat het aangenaam maakt om naar hem te luisteren. Dat laatste kan niet gezegd worden over de jonge tenor Daniele Zanfardino die wel de nodige techniek in huis heeft voor de aartsmoeilijke rol van Lindoro maar helaas bij de minste hoogte erg geknepen gaat klinken. In een zeer hoog liggende partij als die van Lindoro is dat zeker geen voordeel. Mario Cassi is met zijn kernachtige bariton een verademing tegen de vaak oudere solisten die ingezet worden voor der rol van Taddeo en de jonge Belgische Liesbeth Devos kreeg in de kleinere rol van Elivira af en toe de kans te tonen dat ze wat in haar mars heeft.

L’Italiana in Algeri - Julie Bailly als Zulma), Enkelejda Shkosa als Isabella en Liesbeth Devos als Elvira. (Foto : Jacques Croisier)De komische opera’s van Rossini zijn echte juweeltjes. Hoewel de personages vaak wat belachelijk overkomen, zit in de muziek een onovertroffen subtiele humor. Het is de taak van de regisseur om een kader te scheppen waarbinnen deze humor tot zijn recht kan komen. Emilio Sagi is hier niet volledig in geslaagd. Zoals gebruikelijk werkt hij met grote open ruimtes en een minimum aan decors en rekwisieten. Elke scène heeft een eigen kleur en de variatie komt dan ook vooral door de kostuums van Renata Schussheim. De personenregie is erg verzorgd – de protagonisten zijn ook meer dan adequate acteurs en lijken zich enorm te vermaken – maar nergens komt het komische karakter van de opera echt naar boven. Geen uitbundige lach dus, hoogstens af en toe een glimlach, maar tegelijkertijd een enscenering die niemand voor het hoofd zal stoten en dat alleen al is de dag van vandaag een verdienste op zich.

Tenslotte komen we bij de echte zwakke schakel van de Luikse productie: de muzikale leiding. De zeventigjarige Bruno Campanella staat bekend als een specialist in het belcanto maar in deze “Italiana” komt dit absoluut niet tot uiting. Van bij de ouverture mist het orkestspel het bruisende karakter dat zo onontbeerlijk is bij Rossini. De ganse voorstelling gaat aan het zelfde gezapige tempo verder zonder die sprankels die net het genie van Rossini’s muziek uitmaken. Bovendien beweegt de dirigent nog amper zijn dirigeerstok waardoor de solisten, gelukkig voldoende door de wol geverfd, in de ensembles af en toe in de problemen kwamen.

Alles bij elkaar een degelijke voorstelling door de ORW die helaas, vooral door toedoen van de dirigent, net dat sprankelende mist dat de muziek van Rossini doet uitstijgen boven die van zijn collega’s. Alsof je champagne drinkt waarvan een deel van de bubbels ontbreken. Toch jammer, gezien de intrinsieke kwaliteit van de partituur en de solisten.

L’Italiana in Algeri – Ensemble. (Foto : Jacques Croisier)“L’Italiana in Algeri” wordt in Luik nog gespeeld op 26 januari 2013. Gelet op de aanwezigheid van meerdere camera’s in de zaal zal de productie vermoedelijk ook op DVD verschijnen.

H.D. (Gepubliceerd op 26/1/2013)

Foto's van boven naar onder:


1) Carlo Lepore als Mustafà en Mario Cassi als Taddeo.
2) Julie Bailly als Zulma, Enkelejda Shkosa als Isabella en Liesbeth Devos als Elvira.
3) Ensemble.

Copyright foto's © Jacques Croisier.

TERUG NAAR KEUZELIJST BELGIË