OPERA GAZET

RECENSIES

CONCERTEN EN OPERAVOORSTELLINGEN IN BRUSSEL

Klara Festival

“ORLANDO PALADINO”

Bozar MusicDrama eroicomico van Joseph Haydn op een libretto van Nunziano Porta. Gecreëerd in Eszterhaza op 6 december 1782. Bijgewoonde concertante uitvoering in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel op 2 september 2011, in samenwerking met het Klara Festival

Orlando Paladino - Alexandrina Pendatchanska als Alcina in de scenische productie van de Staatsoper Berlin (Foto: Ruth Walz)Orlando Paladino” ging in première in het indrukwekkende zomerpaleis van de familie Eszterhazy. Aanleiding was de naamdag van Haydn’s werkgever, prins Nikolaus de Prachtlievende. Het libretto van “Orlando Paladino” gaat terug op het epische gedicht “Orlando furioso” van de Italiaanse renaissancedichter Ludovico Ariosto, dat ook talrijke andere componisten inspireerde. Het verhaal gaat over een verliefd paar, prinses Angelica en Medoro. Maar de paladijn (ridder) Orlando, een neef van Karel de Grote, heeft eveneens zijn zinnen op Angelica gezet. Orlando’s wapenknecht Pasquale profiteert van de situatie en maakt de herderin Eurilla het hof terwijl de strijdlustige Rodomonte eveneens verzot is op Angelica en haar wil hoeden voor Orlando’s jaloezie. Gelukkig is er de tovenares Alcina, die over het geluk van Angelica en Medoro waakt en alles tot een goed einde brengt.

Van alle opera’s van Haydn is “Orlando Paladino” ongetwijfeld de meest complexe qua libretto en de meest gevarieerde qua muziek. Haydn’s aanduiding “dramma eroicomico” zegt al veel: het gaat om een tragisch, heroïsch en komisch werk, wat de componist toeliet om een groot expressief klankenpalet te hanteren. Niet voor niets werd “Orlando Paladino” al tijdens Haydn’s leven als zijn meest geslaagde opera beschouwd en kende het een enorm succes. Zo werd de opera alleen al in Eszterhaza in de jaren 1782-83 niet minder dan dertigmaal opgevoerd, om nog maar te zwijgen over de talrijke opvoeringen in het buitenland.

René JacobsDe uitvoering die wij bijwoonden werd gebracht door het Freiburger Barockorchester onder leiding van René Jacobs. Het is onmiskenbaar een kolfje naar zijn hand, want met zijn gebruikelijke energieke en dynamische leiding, wist hij een enorme vaart te leggen in deze bijna drie uur durende opera. Hij liet de muziek ook vloeiend, en waar het moest, heroïsch klinken.

Wij hadden bij deze concertante uitvoering het geluk dat het om een oudere scenische productie ging die al in mei 2009 in de Staatsoper te Berlijn opgevoerd werd met grotendeels dezelfde bezetting. Deze productie was ook op TV te zien, via de zender Arte. Het was toen een opvoering met een tamelijk groteske regie van Nigel Lowery, maar er werd fel geacteerd en daar plukten wij nu de vruchten van. De personages zongen hun rollen zonder partituur, behalve Stéphane Degout, nieuw in de rol van Orlando, die van tijd tot tijd op de achtergrond wat in een partituur bladerde. De solisten droegen kledij die paste bij hun rol, ze liepen bestendig de scène op en af en acteerden met bijzonder veel overgave, vooral het komische paartje Eurilla en Pasquale viel in de smaak.

Vocaal was alles niet eersteklas, vooral bij de vrouwen. Sine Bundgaard heeft een fraaie sopraanstem met een bijzonder aantrekkelijk timbre, maar de vocalises zaten niet altijd even knus en in het slotensemble van de eerste acte miste ze twee hoge noten achter elkaar. Het klonk zo vals als een kat en als er van deze uitvoering een opname gemaakt werd, zal dit slot wel moeten worden overgedaan…
De sopraan Alexandrina Pendatchanska klonk gaver als Alcina. De rol vraagt echter een zekere bravoure en dat moesten wij hier missen. De stem heeft ook een tekort aan resonantie. Sunhae Kim viel als Eurilla vooral op door haar vlot acteertalent, de pittige manier waarmee zij haar personage wist te kruiden. Ze heeft echter een flinterdun stemmetje, niet echt aangenaam qua timbre, maar we moeten toegeven dat zij er het maximum uithaalde.

Langs mannelijke zijde ging het veel beter. Stéphane Degout was een uitstekende Orlando. Zijn strakke, goed geschoolde baritonstem klonk als een klok in de vele woede-uitbarstingen. Zijn vertolking deed ons sterk denken aan Don Giovanni, vooral in het duo dat hij zong met de bange Pasquale, die wel een voorloper van Leporello scheen. Deze rol werd trouwens met een flinke dosis humor en een mooie, warme stem gebracht door de bariton Victor Torres.
Orlando Paladino - Sunhae Im als Eurilla en Victot Torres als Pasquale in de scenische productie van de Staatsoper Berlin (Foto: Ruth Walz)Er waren nog meer mooie baritons om van te genieten: de imposante Rodomonte van Pietro Spagnoli en de sonore, donkere Arttu Kataja in de rollen van Licone en Caronte.
Er was natuurlijk ook een tenor van de partij: Magnus Staveland in de nogal passieve en vrij kleurloze rol van Medoro. De man sterft hier niet minder dan drie maal, om telkens door de toverkracht van Alcina terug tot leven gebracht te worden! Het is een charmante en mooi gedoseerde stem, die uitstekend moet klinken in Mozart.

Al dat moois werd bij het slot met een overdonderend applaus beloond. En wij hebben nog meer moois te verwachten, want op 13 september 2011 is René Jacobs terug te gast in het Paleis voor Schone Kunsten, ditmaal met de Akademie für Alte Musik Berlin in “Aci, Galatea e Polifemo” van Händel.

G.M. (Gepubliceerd op 4/9/2011)

Foto's van boven naar onder:

1) Alexandrina Pendatchanska als Alcina in de scenische productie van de Staatsoper Berlin.
2) René Jacobs.
3) Sunhae Im als Eurilla en Victot Torres als Pasquale in de scenische productie van de Staatsoper Berlin.

Copyright foto's 1 en 3 © Ruth Walz

TERUG NAAR KEUZELIJST BELGIË

“WAR REQUIEM”

Bozar MusicOorlogsrequiem, opus 66 van Benjamin Britten met Latijnse teksten uit de “Missa pro defunctis” en teksten uit het oeuvre van Wilfred Owen. Gecreëerd in Coventry Cathedral op 30 mei 1962. Bijgewoonde uitvoering in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel op 11 september 2011 in samenwerking met het Klara Festival.

Susan GrittonHet “War Requiem” werd op bestelling geschreven voor de inwijding van St. Michael’s Cathedral te Coventry, die in de tweede wereldoorlog verwoest werd en op 30 mei 1962 terug in gebruik is genomen.
“All a poet can do is to warn” staat als motto in de partituur. De woorden zijn van de begaafde Engelse dichter Wilfred Owen die is gesneuveld op 4 november 1918, één week vóór de wapenstilstand. Hij was vijfentwintig jaar oud…
De zinloosheid van geweld, de vernieling van de menselijke onschuld, de dood veroorzaakt door menselijke criminaliteit en domheid zijn de thema’s die centraal staan in dit grandioze werk.

Dat het requiem in Brussel uitgevoerd werd op 11 september 2011 is natuurlijk geen toeval. Juist tien jaar geleden werden de Verenigde Staten getroffen door aanslagen van Islamitische godsdienstfanaten, een tragedie die iedereen kent en die wij hier niet moeten navertellen. In New York zelf werd deze zwarte dag ook herdacht met een wereldwijd uitgezonden concert in de Avery Fisher Hall, maar er werd geopteerd voor de tweede symfonie “Auferstehung” van Gustav Mahler door de New York Philharmonic o.l.v. Alan Gilbert.
Abdallah Lasri (Foto: Thomas Bartel)Wij nemen aan dat voor een dergelijk evenement de symbolische waarde van een werk primeert op de muzikale waarde en als dusdanig vinden wij het niet echt een doordachte keuze. Waarschijnlijk hebben de organisatoren bij “Auferstehung” enkel aan het (utopische) heil van de slachtoffers gedacht. Misschien ook aan de gesneuvelde twin-towers van het WTC, waarvoor in de toekomst wel nieuwe buildings zullen “verrijzen”. Maar “verrijzenis” is ook de drijvende kracht achter elke godsdienstfanaat/zelfmoordterrorist. Zonder het waanidee van een beloning in het hiernamaals (70 maagden!) verliest die terroristenwinkel van Allah & Co meteen al zijn vrijwilligers.

De keuze voor het concert in Brussel was wel heel doordacht. Benjamin Britten was tegen elke vorm van oorlogsgeweld. Hij was dienstweigeraar in een tijd dat je voor een dergelijke stelling nog als een lafaard beschouwd werd die liefst de hete kastanjes door een ander uit het vuur liet halen.
Ook de nationaliteit van de zangers werd in acht genomen en, zoals op Britten’s verzoek in 1962 de bariton Dietrich Fischer-Dieskau het kamp van de Duitsers moest vertegenwoordigen, werd hier voor een aan onze tijd aangepaste Marokkaanse tenor gekozen: Abdellah Lasri. Deze in Rabat geboren tenor studeerde in Parijs en is sinds enkele jaren als operazanger actief in de Berlijnse Staatsopera. Hij liet een bijzonder mooi en geschoold geluid horen. Zijn timbre is iets donkerder van kleur dan wat wij van een uitgesproken Engelse tenor als Peter Pears of Robert Tear gewoon zijn. Hij zong vaak in duo met de mooi romige Amerikaanse bariton Andrew Schroeder. Steeds begeleid door een intiem kamerorkest, zorgden zij samen voor een emotioneel geladen voordracht van de teksten van Wilfred Owen.

Sir Neville MarrinerVoor het “grote” werk was de Engelse sopraan Susan Gritton aangewezen. Zij zong de Latijnse teksten, vaak in samenzang met het enorme koor en het volledige orkest, waarboven haar stem letterlijk zegevierend uitsteeg.

Het enorme klankapparaat bestond uit de Brussels Philharmonic, het Vlaams Radio Orkest en Koor, het Gents Madrigaalkoor, het Dulcisona koor en het kinderkoor In Dulci Jubilo. Geen klein bier om een dergelijke massa muzikanten en zangers gedisciplineerd te laten samenklinken, maar Sir Neville Marriner slaagde daar wonderwel in.

Het concert werd voorafgegaan door enkele toespraken, o.a. door Howard W. Gutman, ambassadeur van de Verenigde Staten van Amerika in België.

Ter info: het “War requiem” werd ook al scenisch opgevoerd, n.l. in het Musiktheater im Revier te Gelsenkirchen. Een recensie hierover vindt U hier.

G.M. (Gepubliceerd op 13/9/2011)

Foto's van boven naar onder:

1) Susan Gritton.
2) Abdallah Lasri.
3) Sir Neville Marriner.

Copyright foto 2 © Thomas Bartel.

TERUG NAAR KEUZELIJST BELGIË

La Monnaie - De Munt

“OEDIPE”

Opera van George Enescu op een Frans libretto van Edmond Fleg. Gecreëerd in de Opéra te Parijs op 13 maart 1936. Première van deze productie in de Muntschouwburg te Brussel op 22 oktober 2011. Bijgewoonde voorstelling op 1 november 2011.

Oedipe - Het indrukwekkende toneelbeeld van de openingsscène met solisten en koor van de Munt (Foto: Bernd Uhlig)De Roemeen George Enescu, voornamelijk bekend gebleven als leermeester van Yehudi Menuhin en als componist van twee Roemeense rapsodieën voor orkest, was een allround musicus van grote eruditie, meesterlijk violist en pedagoog, dirigent, pianist en ook - zeer zelfkritisch - componist. Aan "Oedipe", zijn enige opera, heeft hij vele jaren gewerkt voordat eindelijk op 13 maart 1936 in de Parijse Opera de première plaatsvond. Die werd luid toegejuicht, maar desondanks werd het werk geen repertoire, onbegrijpelijk na het aanhoren van deze opvoering in de Munt.

De figuur van de door het lot gedoodverfde Oedipus, vadermoordenaar en echtgenoot van zijn eigen moeder, heeft talloze componisten geïnspireerd, maar geen van die opera‘s behoort tot het standaard repertoire, zelfs Stravinsky’s eenakter niet. Enescu nam het drama als uitgangspunt voor een opera in vier bedrijven met grote koorscènes, een uitgebreide solistenbezetting en een flink orkestapparaat. Hij speelde het hele drama uit, vanaf de geboorte van Oedipus met de profetie van het orakel tot aan zijn dood. Anders dan in de oorspronkelijke mythe, Iaten Enescu en zijn librettist Edmond Fleg de titelheld aan het einde een soort catharsis doormaken. Oedipus is volledig overtuigd van zijn onschuld en weet dat hij op de beslissingen van de goden over zijn lot geen enkele invloed had. Heel even krijgt hij het zicht in zijn ogen terug om met opgeheven hoofd zijn einde tegemoet te treden.

Enescu heeft met deze opera een meesterlijk werk geschreven. Hij was leerling van Fauré, is zeker ook beïnvloed door Debussy en wordt door kenners van zijn werk op hetzelfde niveau als Bartok geplaatst. Al die invloeden zijn in de muziek terug te vinden, maar toch is dit een volstrekt originele partituur van een zeldzame dramatische kracht en schoonheid. De Roemeense afkomst van de componist is hier en daar merkbaar als hij zich in zijn melodievoering enigszins laat leiden door karakteristieken uit de volksmuziek van zijn land; vooral in de grote koorscènes klinkt een Slavische inspiratiebron door die sterk doet denken aan Moussorgski: majestueus opgezet met een grote individualisering in de verschillende stemmen. Hier reageert geen anonieme massa op de vreselijke gebeurtenissen, maar spreekt een groep mensen zijn afgrijzen uit, en het voortreffelijke koor van de Munt liet dat optimaal klinken. In zijn schrijfwijze voor de solisten en het orkest Ieunt Enescu veel duidelijker aan tegen zijn Franse voorbeelden. Zijn instrumentatie is van een grote pracht en een sterke dramatische zeggingskracht. Dirigent Leo Hussain aan het hoofd van het Symfonieorkest van de Munt liet die weelderigheid schitteren in al haar klankkleuren, met een sterk gevoel voor het theatrale element.

Oedipe - Andrew Schroeder als Oedipe, Natascha Petrinsky als Jocaste en koor van de Munt (Foto: Bernd Uhlig)Maar ook de zangsolisten leverden in deze productie uitstekend werk, al vinden wij het jammer dat de Munt het initiatief om deze opera op te voeren niet twintig jaar geleden genomen heeft. Dan had José van Dam de titelrol kunnen zingen, een partij die hem op het lijf geschreven was, zoals blijkt bij het aanhoren van de cd-opname uit 1989. Nu werd de rol van Oedipe beurtelings vertolkt door Dietrich Henschel en Andrew Schroeder. Wij troffen deze laatste en waren gecharmeerd door zijn degelijk dramatisch inzicht in de rol, zijn voortreffelijke dictie en zijn fraaie, welluidende baritonstem.
Maar ook de rest van het ensemble wist ons grotendeels te bekoren, al hebben al deze rollen maar korte tussenkomsten. Opvallend waren de stijlvolle herder van de tenor John Graham Hall, de sterk dramatische, maar wat onstabiele Tirésias van de bas Jan-Hendrik Rootering en de tedere Antigone van Ilse Eerens. Ook de door het noodlot getroffen Jocaste van de mezzosopraan Natascha Petyrinsky en haar eerste echtgenoot Laios van de tenor Yves Saelens mochten er zijn. Enescu moet een zwak gehad hebben voor bariton- en basstemmen, want naast Oedipe en Tirésias hoorden wij nog meer stemmen die een mooie donkere kleur aan het geheel gaven: Robert Bork (Créon), Jean Teitgen (Le Grand-Prêtre), Henk Neven (Phorbas), Frédéric Caton (Le veilleur) en Nabil Suliman (Thésée).
De stem van Marie-Nicole Lemieux als La Sphinge klonk wat onstabiel, maar dat lag misschien aan de oncomfortabele houding die zij moest aannemen in de cockpit van de Duitse Messerschmitt die de sfinx moest uitbeelden.

Oedipe - Andrew Schroeder als Oedipe, Jan-Hendrik Rootering als Tirésias en koor van de Munt (Foto: Bernd Uhlig)Dat brengt ons bij de enscenering van Alex Ollé, de man die bij “La Fura dels Baus” wat in de schaduw werkt van zijn collega Carlus Padrissa. Hij maakte gebruik van een imponerend decor, zoals blijkt uit de nevenstaande foto’s. De aanvang van de opera zag er uit als een enorm in hout gesneden fresco van vier verdiepingen. De eenheid van kleuren was opvallend en bijzonder smaakvol. Het enige moderne (maar toch indrukwekkende) element in de enscenering was natuurlijk het vliegtuig dat vanuit de coulissen naar beneden kwam en na de dood van de sfinx door het volk in stukken getrokken wordt.

Een sterke uitvoering van een belangrijke opera. Hopelijk worden nu eindelijk ook andere operahuizen wakker geschud!

De nokvolle zaal was bijzonder opgetogen met deze productie en er werd eindeloos geapplaudisseerd.

Er zijn nog opvoeringen op 4 en 6 november 2011.

G.M. (Gepubliceerd op 3/11/2011)

Foto's van boven naar onder:

1) Het indrukwekkende toneelbeeld van de openingsscène met solisten en koor van de Munt.
2) Andrew Schroeder als Oedipe, Natascha Petrinsky als Jocaste en koor van de Munt.
3) Andrew Schroeder als Oedipe, Jan-Hendrik Rootering als Tirésias en koor van de Munt.

Copyright foto's ©
Bernd Uhlig

TERUG NAAR KEUZELIJST BELGIË